Close

Archive for category: Blog Artikelen

Dit moet je weten over het kopen van een nieuwe geheugenkaart!

Hier moet je op letten

Nieuwe geheugenkaart nodig?

Geheugenkaarten voor je camera. Je hebt ze in allerlei soorten en maten en voor wat betreft de SD kaartjes, zoals die worden gebruikt in je Fujifilm camera uit de X serie zie je door alle verschillende coderingen die erop vermeld staan door de bomen het bos niet meer. Welke SD geheugenkaart heb je nodig, waarvoor en waarom? In deze blog tracht ik een antwoord te geven op de veelgestelde vraag ‘Welke geheugenkaart kan ik het beste kopen?’.

Veel mensen kijken bij het kopen van geheugenkaartjes voor hun camera vaak alleen naar de opslagcapaciteit, de genoemde snelheid en de prijs. Tot voor kort gaven die drie gegevens een prima indicatie voor wat je van een geheugenkaart kon verwachten.

Voor de eerste generatie Fujifilm camera’s uit de X-Serie vormde geheugenkaartjes met een snelheidsindicatie van 80MB/sec of meer nooit een probleem. Of je de camera nu hebt ingesteld op ‘CH’ voor het maken van continu opnames in de hoogste snelheid of wanneer je video’s wil maken in Full HD (1080P). Het werkte voor die camera’s eigenlijk altijd goed.

Een nieuwe camera? Kijk ook naar je geheugenkaarten!

Heb je net een nieuwe camera gekocht? Dan is het altijd verstandig om te kijken of de ‘oude’ geheugenkaartjes nog wel voldoen voor je nieuwe camera. Want ondanks dat die oude geheugen-kaarten er op het oog niet anders uitzien dan de nieuwste generatie SD kaartjes, bevat de inhoud van die nieuwe geheugenkaarten wel een compleet andere techniek.

Als jouw nieuwe camera die nieuwe techniek ondersteund, dan loont het altijd om nieuwe geheugenkaarten voor je nieuwe camera aan te schaffen. Soms is dat zelfs noodzakelijk om zonder problemen gebruik te maken van je nieuwe camera!

Zo beschikken de nieuwste generatie Fujifilm camera’s uit de X-Serie over de laatste techniek op het gebied van het wegschrijven en uitlezen van data. Deze camera’s zijn dus niet alleen sneller in hun bediening, maar ook sneller in het verwerken van de beelden. Dat is noodzakelijk om zo snel heel veel foto’s achter elkaar weg te kunnen schrijven én noodzakelijk om in 4K te kunnen filmen.

Dat vraagt niet alleen meer van de beeldverwerkingsprocessor in de camera, maar ook van de geheugenkaartjes die we in die camera’s kunnen gebruiken.

Zo zie ik op de facebookgroep vaak de vraag voorbij komen, welke geheugenkaart heb ik nodig? Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het type camera, hoe je jouw camera gebruikt en wat je ermee wil gaan doen.

De snelste geheugenkaart niet altijd de beste voor jou!

De bovenstaande vragen zijn belangrijk, want de duurste kaart mag misschien wel de snelste zijn, of de grootste opslagcapaciteit hebben. Het hoeft niet per definitie voor jou de ‘beste’ geheugenkaart te zijn.

Wat de ‘beste’ geheugenkaart voor jou zal zijn is namelijk afhankelijk van een flink aantal factoren. In welke camera ga je de geheugenkaart(en) gebruiken en wat ga je opslaan? Foto’s of video’s….

Maak je slechts enkele foto’s per keer, of maak je vaak zogenoemde ‘burst shots’, waarbij je vaak snel achter elkaar veel foto’s maakt. Dat zijn vragen waarvan alleen jij het antwoord weet, omdat het onderdeel uitmaakt van de wijze waarop jij fotografeert.

Verder is het heel belangrijk om te weten of de camera die jij gebruikt ook compatible is met de techniek die het geheugenkaartje hanteert. De nieuwste geheugenkaarten zijn meestal, maar zeker ook weer niet altijd te gebruiken in oudere camera’s.

Tegelijkertijd zijn je oude geheugenkaartjes die jij tot voor kort naar volle tevredenheid hebt gebruikt waarschijnlijk niet echt geschikt om te gebruiken in je nieuwe camera. Vaak een oorzaak van veel van de problemen waarover je weleens leest.

Je oude geheugenkaarten domweg gebruiken in je nieuwe camera kan leiden tot grote teleurstellingen en zelfs tot problemen, waarvan de ‘vastloper’ de meest voorkomende is.

De oorzaak van dergelijke problemen is vaak het gebruik van te langzame of oude geheugenkaartjes die niet (volledig) compatible zijn. Ook het mixen van verschillende geheugenkaarten in merk, geheugencapaciteit of type kan tot problemen leiden. Dat komt dan vaak omdat die geheugenkaarten dan onderling een nét andere techniek gebruiken. Bijvoorbeeld SDHC of SDXC. Dergelijke kaartjes hebben namelijk niet alleen een andere geheugencapaciteit, ze maken ook gebruik van een ander bestandssysteem.

Ook het vergelijken op de vermelde snelheid die op de geheugenkaart staat vermeld is tegenwoordig niet voldoende meer. Dat komt omdat een aantal slimme marketing jongens en meisjes niet meer helemaal eerlijk zijn over de genoemde snelheden die op de geheugenkaart staat afgedrukt.

Vroeger kon je erop vertrouwen dat de genoemde snelheid die op de kaart stond vermeld, ook de werkelijke snelheid was. Tegenwoordig betreft die vermelding de snelheid waarmee er vanaf de geheugenkaart kan worden gelezen en wordt de schrijfsnelheid niet of, als je geluk hebt, ergens heel klein vermeld. Je zult dan vaak zien dat de leessnelheid van een geheugenkaart vaak veel sneller is dan de snelheid waarmee er op de geheugenkaart data kan worden weggeschreven.

De uitwisselbaarheid van de geheugenkaartjes en de in de camera gebruikte SD interface kun je uiteraard terugvinden in de specificaties van de camera én in de handleiding.

Zo heeft een Fujifilm X-T20 en X-E3 de beschikking over één SD kaartslot van het type SD UHS type I.

Een Fujifilm X-Pro2 heeft de beschikking over één SD kaartslot van het type SD UHS type I en één SD kaartslot van het type SD UHS type II.

Een Fujifilm X-T2 heeft de beschikking over twee SD kaartsloten van het type SD UHS type II. Beide kaartsloten kunnen dus gebruik maken van hetzelfde type geheugenkaart.

Zo heeft het dus géén zin om een SD geheugenkaart van het type UHS-II te plaatsen in een Fujifilm X-T20 of X-E3. Deze camera’s beschikken immers niet over de techniek om héél erg snel (veel) data weg te schrijven op een geheugenkaart.

Hetzelfde gaat min of meer ook op wanneer je een X-Pro2 gebruikt en je de camera hebt ingesteld op ‘Backup’. Bij deze camerainstelling wordt er gelijktijdig data weggeschreven naar geheugenkaart 1 én geheugenkaart 2. De camera zal echter nooit sneller zijn data kunnen wegschrijven dan de maximale snelheid van de langzaamste geheugenkaart óf geheugenslot. Kortom het heeft in die situatie géén zin om een geheugenkaart te gebruiken van het type UHS-II.

Datzelfde zal ook gebeuren bij gebruik van bijvoorbeeld een Fujifilm X-T2 en je gebruik maakt van twee NIET EXACT gelijke geheugenkaarten. Wil je dus optimaal gebruik maken van je camera. Koop dan twee exact gelijke kaarten van hetzelfde merk, capaciteit en type geheugenkaart. Als iedereen dat advies ter harte zou nemen, zou dat veel teleurstellingen kunnen voorkomen. De minimale snelheid voor het wegschrijven van data voor deze camera is bovendien 95 MB/sec.

Mocht je onverhoopt toch problemen blijven houden en houd jij jezelf aan dat advies, dan is het verstandig om contact op te nemen met je leverancier of Fujifilm zélf om te kijken of er geen technisch mankement ten grondslag ligt aan jouw specifieke problemen die je dan met de camera ondervindt.

De vermeldingen voor snelheid van een geheugenkaart voor het fotograferen.

Welke geheugenkaart voor welke camera?

De hoeveelheid data die je naar de geheugenkaarten gaat schrijven is uiteraard afhankelijk van de grootte van de bestanden en de hoeveelheid foto’s die je achter elkaar maakt.

Een JPEG bestand (L + Fine) op de camera’s die zijn uitgevoerd met een 24MP X-Trans III beeldsensor en X-Processor Pro beeldverwerkingsprocessor is ongeveer 12MB per foto. Het RAW bestand rond de 25MB per foto als je gebruik maakt van verliesvrij gecomprimeerde RAW beelden en zo’n 43MB als je gebruik maakt van de reguliere RAW mogelijkheid die de camera je biedt.

Maak je veel continu opnames (drive hendel op CH), dan kun je dus flink meer JPEG opnames maken dan RAW beelden voordat het geheugen van de camera vol raakt.

Hoe snel dat geheugen ‘vol’ raakt is afhankelijk van de snelheid waarmee de camera de foto’s kan wegschrijven op de geheugenkaart. De snelheid waarmee de geheugenkaart zijn data kan wegschrijven blijft desondanks dus nog steeds heel belangrijk.

Fotografeer je dus met 8 beelden per seconde dan moet de camera en de geheugenkaart dus minimaal 8 x 12MB = 96MB aan data per seconde kunnen verwerken. Dat is wanneer je fotografeert in JPEG.

Maak je echter foto’s in RAW, dan heeft de camera dus 8 x 45MB = 360MB aan data per seconde te verwerken. Fotografeer je ‘compressievrij RAW’, dan blijft de totale hoeveelheid data die de camera moet verwerken 360MB per seconde, maar is de hoeveelheid data die weggeschreven moet worden ‘maar’ 200MB per seconde.

Dat laatste komt doordat het RAW bestand wordt gecomprimeerd en niet de beeldinformatie van de foto zelf. Je kunt daarmee dus ondanks dezelfde hoeveelheid data die verwerkt moet worden, toch langer achterelkaar door fotograferen. Zodra de buffer van de camera ‘vol’ is zal de opnamesnelheid (drastisch) afnemen.

CAMERA14fps11fps8fps5fps4fps3fps
X-T20 42 JPG 23 CRAW 22 RAW 56 JPG 24 CRAW 23 RAW 62 JPG 25 CRAW 23 RAW 68 JPG 28 CRAW 25 RAW 73 JPG 29 CRAW 25 RAW 81 JPG 32 CRAW 27 RAW
X-T2 42 JPG 28 CRAW 25 RAW 73 JPG 30 CRAW 27 RAW 83 JPG 33 CRAW 27 RAW EINDELOOS 39 CRAW 30 RAW EINDELOOS EINDELOOS 39 RAW EINDELOOS EINDELOOS 61 RAW

Ga je niet fotograferen, maar maak je video’s met je camera dan moet de camera continu een hele stroom aan data verwerken, er gaan immers minimaal 24 beelden in een seconde. Wanneer je Full HD filmt, kun je dat zelfs doen tot een snelheid van 60 beelden per seconde.

Een Fujifilm X-T2 doet dat voor zowel Full HD als wanneer de camera staat ingesteld op 4K opnamemodus met een bitrate van 100Mbps, terwijl een Fujifilm X-T20 Full HD opnames kan maken op 36Mbps en voor 4K op 100Mbps.

Dat betekent dus dat wanneer je video opnames wil maken met je Fujifilm X-T2 of T20, de geheugenkaart een minimale schrijfsnelheid zal moeten hebben van 95MB/sec. Dit wordt aangegeven op de geheugenkaartjes met de term ‘U3’, die staat voor een bepaalde videoklasse. Zo kun je zorgeloos filmen op de hoogste kwaliteit zonder dat er frames verloren gaan.

Links: UHS-I | Rechts UHS-II  |  Doordat UHS-II veel grotere datasnelheden moet kunnen verwerken is een extra rij connectoren toegevoegd.

SD geheugenkaarten: Types en geheugencapaciteit

Nu heb ik het al een hele tijd over de term SD kaartjes, maar je hebt naast SD, ook SDHC en SDXC geheugenkaarten. Doordat er zoveel verschillende kaartjes zijn die er op het eerste oog allemaal ‘gelijk’ uitzien is de naamgeving misschien nogal verwarrend. Maar het komt er op neer dat het eigenlijk allemaal opvolgers zijn van hetzelfde soort geheugenkaart.

Je hebt momenteel de volgende SD-kaartjes die allemaal een verschillende oplagcapaciteit én een ander type bestandsformaat hanteren:

SD: maximale opslagcapaciteit tot 2 GB; Bestandsformaat FAT12 en FAT16

SD staat voor ‘Secure Digital’.

SDHC: Opslagcapaciteit van 2GB tot 32GB; Bestandsformaat Fat32.

HC staat overigens voor High Capacity.

SDXC: Opslagcapaciteit van 32GB tot 2TB (Terrabyte); Bestandsformaat exFAT.

XC staat voor Xtra Capacity.

Doordat ieder van de verschillende type SD kaarten een ander bestandsformaat hanteert moet ieder van deze geheugenkaarten dus ook op hun eigen manier geformatteerd worden om compatible te blijven met de camera. Om die reden is het dus verstandig, zo niet noodzakelijk, om de geheugenkaartjes ín de camera zelf te formatteren en níet op je computer! Zo voorkom je problemen.

Samenvatting

Welke kaart je exact moet kopen kan ik niet voor je beantwoorden. Zoals gezegd is dat afhankelijk van welk type camera je hebt en waarvoor je hem wil gaan gebruiken. We hebben gezien dat niet alle SD geheugenkaarten hetzelfde zijn en dat de verschillende capaciteiten beschikken over verschillende bestandsformaten. Het is verstandig om, wanneer je camera beschikt over twee geheugenkaartsloten, twee exact gelijke kaarten van hetzelfde merk, opslagcapaciteit en type te gebruiken. Eventuele problemen met je camera zijn dan vrijwel uitgesloten.

Fujifilm X-T20 / X-E3 / X-Pro2

Maak je gebruik van een Fujifilm X-T20 of X-E3, dan betekent dat je geheugenkaarten moet kopen met een minimale snelheid van 95MB per seconde van het type UHS-I met de classificatie C10, U3 en V30. Deze geheugenkaarten kun je ook gebruiken als je gebruik maakt van een Fujifilm X-Pro2.

Fujifilm X-T2 en nieuwer

Ben jij in het bezit van een Fujifilm X-T2, of een nog nieuwere camera dan kies je het beste voor geheugenkaarten van het type UHS-II, met een classificatie C10, U3 en V60 of V90. Een minimale snelheid van 280MB per seconde of meer zal je dan ook helpen om flink meer RAW bestanden in drive stand CH te kunnen verwerken. Met de allernieuwste type geheugenkaarten van het type UHS-II kun je dan  vrijwel onbeperkt fotograferen of filmen.

Welke lens ‘moet’ ik kopen? (deel 2)

Beeldvullend fotograferen

Deel twee van deze blog gaat over ‘beeldvullend fotograferen in relatie tot het gebruikte objectief. In de vorige blog hebben we al gezien dat we verschillende objectieven gebruiken voor specifieke situaties. Zo hebben we objectieven voor het fotograferen van landschappen, het alledaagse leven om ons heen, portretten en telelenzen om onderwerpen die veraf staan dichterbij te kunnen halen.

Tegelijkertijd kun je net zo goed beeldvullend fotograferen met bijvoorbeeld een 23mm of 35mm objectief als met een teleobjectief. De grootte en de afstand tot een bepaald onderwerp spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol in wat je eventueel beeldvullend kunt fotograferen.

Om bijvoorbeeld een vogel beeldvullend te fotograferen zul je namelijk een stuk dichterbij die vogel moeten komen dan wanneer je bijvoorbeeld een hert zou willen fotograferen. Natuurlijk kun je met een tele-zoomlens inzoomen op het onderwerp, maar toch is dat niet altijd voldoende. Dat komt doordat zo’n vogel op zichzelf al een heel stuk kleiner is dan een hert.

Ondanks het gebruik van een objectief met hetzelfde aantal millimeter bereik zul je toch een verschillende afstand tot het onderwerp moeten aanhouden om een beeldvullende opname te kunnen maken.

Dat gegeven gaat niet alleen op in natuurfotografie, maar geldt evengoed voor het fotograferen van bijvoorbeeld een sportevenement, waarbij de grootte van het speelveld bepalend is voor te overbruggen afstand en daarmee wat je eventueel beeldvullend kunt fotograferen. Een basketbalveld is immers vele malen kleiner dan een voetbalveld.

Tegelijkertijd kun jij als fotograaf niet zomaar het veld oprennen om een foto te maken. Je bent vaak gebonden aan de plek waarvandaan je dan kunt fotograferen. Bij een sportevenement zul je langs het sportveld moeten blijven staan en in de natuur ben je vaak gebonden aan een vogelhut, of de minimale vluchtafstand van een dier voordat het wegrent of wegvliegt. Hoe ver iets ‘ver’ weg staat is dus relatief.

‘Beeldvullend’, is daarmee niet alleen afhankelijk van het te fotograferen onderwerp, maar ook gerelateerd aan de minimale afstand die je soms aan moet houden tot een te fotograferen onderwerp. Het antwoord welke ‘lens’, je nodig hebt om beeldvullend te fotograferen kun je dus nooit zomaar geven. Bovendien is ‘beeldvullend’ ook nog eens afhankelijk van het type sensor dat er in je camera schuil gaat.

Bij een camera met een APS-C sensor heb je bijvoorbeeld een objectief met een flink aantal minder millimeters bereik nodig om ‘beeldvullend’ te kunnen fotograferen, dan bij een camera met een digitale 35mm sensor. Het formaat van de sensor is dus mede bepalend voor het objectief dat we kunnen gebruiken.

Dat gegeven maakt bijvoorbeeld dat camera’s met een APS-C sensor bijzonder populair zijn bij onder andere sport- en natuurfotografen. Zij hoeven daardoor minder geld te investeren in een (duur) teleobjectief met een groot bereik. De ‘crop’ factor van een APS-C sensor stelt hen door de beelduitsnede van een APS-C sensor immers in staat om een onderwerp (ongeveer) 1.5x dichterbij te halen dan in vergelijk met een camera die beschikt over een digitale 35mm sensor, zonder dat zij daarvoor hoeven in te boeten aan lichtopbrenst.

Een objectief met een zelfde aantal millimeters geplaatst op een digitale 35mm camera of op een camera met APS-C sensor, heeft dezelfde fysische eigenschappen. Wat wijzigt is de beeldhoek, waardoor de foto met een APS-C camera ingezoomd lijkt en de beleving verandert.

Een 100-400mm f4.5-5.6, blijft een 100mm-400mm f4.5-5.6 ongeacht de gebruikte sensor in een camera. Het is slechts de beeldhoek die het verschil maakt. De beeldhoek geeft ons bij gebruik van een camera met APS-C sensor alleen het idee alsof er wordt gefotografeerd met een 150-560mm objectief.

Wie fotografeert met een camera met 35mm sensor kan exact hetzelfde beeld verkrijgen (inclusief scherptediepte) door een uitsnede te maken die overeenkomt met de beeldhoek die een camera met APS-C sensor ons levert. Dat gaat daarbij dan uiteraard ten koste van het aantal megapixels, omdat je daarbij pixels weggooit door de foto bij te snijden.

Een camera met crop sensor zoals je Fujifilm camera uit de X-Serie heeft daarmee dus ook zo zijn voordelen.

Welke ‘lens’ voor welke foto?

Eindelijk zijn we aangekomen bij die kernvraag ‘welke lens moet ik kopen’?

De vraag is eigenlijk fout gesteld, want het zou beter zijn, om te vragen wat voor objectief beter past bij een bepaald type fotografie, en zelfs dat blijft een lastige vraag om te beantwoorden.

Aan de hand van het beeldformaat, het sensorformaat en de branpuntsafstand van een objectief kunnen we gelukkig redelijk eenvoudig uitrekenen hoe ver een onderwerp van jou vandaan mag staan om deze beeldvullend in de zoeker en daarmee op de foto te krijgen.

De formule die je daarvoor dan kunt gebruiken luidt als volgt:

(f / s) * w = d

Duidelijk? Nee, vast niet!

Laat ik daarom toelichten waar de verschillende letters voor staan:

f = focal point, ofwel de brandpuntsafstand van het objectief in millimeters.

s = sensor width, ofwel de breedte van de sensor in millimeters.

w = width, ofwel de breedte van het kader bij een beeldverhouding van 3:2 in meters.

d = distance to object, ofwel de afstand tussen de camera tot het te fotograferen onderwerp.

Kortom, er zijn nogal wat parameters die bepalen welk objectief we voor welk onderwerp het beste kunnen gebruiken.

Voorbeeld 1.

Stel je wil fotograferen met een XF90mm objectief in een concertzaal en je wil de zanger en de band achter hem graag beeldvullend in beeld brengen, hoe ver moet ik dan van het podium gaan staan?

(f / s) * (w) = d

(90 / 25) ≈ 3.6 * (3) ≈ 10.8 meter

Het bovenstaande antwoord betreft de afstand voor een liggende foto.

Zouden we een staande foto maken, dan kunnen we dichterbij de zanger gaan staan, want de beeldverhouding verandert dan van 3:2 naar 2:3. Kortom, we kunnen dan op ongeveer 2/3e van de afstand gaan staan en zouden dezelfde opname van de zanger dan kunnen maken op ongeveer 7 meter afstand.

Een infographic waarop je eenvoudig kunt zien welke bereik een objectief heeft om beeldvullend te fotograferen.

Je kunt zo dus ook heel eenvoudig uitrekenen wat het bereik is van een zoomlens zoals bijvoorbeeld de XF50-140mm of de XF100-400mm. Om een persoon beeldvullend in beeld te brengen voor bijvoorbeeld de 50-140mm betekent dat de afstand minimaal 6 meter en maximaal 17 meter moet zijn.

Immers:

(f / s) * (w) = d

(50 / 25) ≈ 2 * (3) ≈ 6 meter (minimale afstand)

En (140 / 25) ≈ 5.6 * 3 ≈ 16.8 meter (maximale afstand)

Voor een objectief als de XF100-400mm geldt dan dat de minimale afstand minstens 12 meter en maximaal 48 meter mag zijn om een persoon beeldvullend te kunnen fotograferen.

(f / s) * (w) = d

(100 / 25) ≈ 4 * (3) ≈ 12 meter (minimale afstand)

En (400 / 25) ≈ 16 * (3) ≈ 48 meter (maximale afstand)

Wordt de afstand tot het onderwerp groter, dan betekent dat dus dat je het beeld moet gaan croppen om een beeldvullende uitsnede te maken.

Uiteraard kun je ook gebruik maken van een teleconverter om zo het bereik te vergroten tot 21 meter respectievelijk 33,5 meter bij gebruik van de XF50-140mm en 67 meter respectievelijk 96 meter bij gebruik van de XF100-400mm in combinatie met de 1.4x of 2.0x converter.

Hou er wel rekening mee dat om bewegingsonscherpte te voorkomen de maximale sluitertijd ongeveer 2 keer de ingestelde brandpuntsafstand mag zijn. Hierbij heb ik even geen rekening gehouden met de beeldstabilisatie waarover deze objectieven beschikken, maar los daarvan betekent het toch al snel dat je de ISO waarde op de camera al snel flink moet verhogen, om aan zulke korte sluitertijden te kunnen voldoen.

Nu is het gebruiken van een hoge ISO waarde tegenwoordig wat minder problematisch dan in het verleden, omdat de beeldsensoren de afgelopen jaren flink beter zijn geworden. Het blijft toch altijd beter om de ISO waarde op de camera zo laag mogelijk te houden om de beste beeldkwaliteit te kunnen verkrijgen.

Samenvatting

Met een Fujifilm camera uit de X-Serie kun je prima sporten, vogels of andere dieren fotograferen. Belangrijk is wel te weten welk objectief je daarvoor dan het beste kunt gebruiken.

Wanneer je nu de volgende keer jezelf de vraag stelt ‘Welke lens moet ik kopen?’, bedenk dan allereerst waarvoor je een bepaald objectief wilt gaan gebruiken, hoeveel geld je er maximaal aan wilt gaan uitgeven en hoeveel concessie je wil doen aan lichtsterkte of beeldkwaliteit. Dat bepaalt welk objectief voor jou geschikt is om te gaan gebruiken.

Tegelijkertijd kun je een teleconverter bij een Fujifilm camera uit de X-Serie enkel en alleen gebruiken op de volgende objectieven: XF80mm f2.8 Macro, XF200mm f2.0, XF50-140mm f2.8 en de XF100-400mm f4.5-5.6. De 1.4x en 2.0x teleconverters kunnen niet worden aangesloten op andere objectieven uit de Fujinon XF of XC lijn.

Een klein dier zoals een vogel of een muisje leg je eenvoudiger vast met een ‘lange’ lens. Dat komt omdat je voldoende afstand moet bewaren tot het onderwerp zodat deze niet vlucht zal slaan.

Aan de hand van de brandpuntsafstand en de gebruikte camera kun je uitrekenen hoe ver weg je ‘moet’ gaan staan om een onderwerp beeldvullend te fotograferen.

De gebruikte rekensom is al gecompenseerd voor een Fujifilm (APS-C) camera en gaat uit van een liggende foto. Dat betekent een beeldhoogte van 2 meter en een beeldbreedte van 3 meter. Is je foto maar 50 centimeter hoog, dan betekent dat dus dat de maximale afstand 4x kleiner wordt (4x50cm = 200cm). Wil je een foto ‘staand’ maken, dan gebruik je dezelfde rekensom, maar vermenigvuldig je de uitkomst met 0.66x.

Om bewegingsonscherpte te voorkomen gebruik je een maximale sluitertijd van 2x de ingestelde brandpuntsafstand. Een snelle sluitertijd verkrijg je door gebruik te maken van een groot diafragma en/of het vergroten van de gevoeligheid van de sensor door de ISO instelling te verhogen.

Met deze handige infographic kun je in één oogopslag zien welk objectief geschikt is voor welke sport.

Welke lens ‘moet’ ik kopen? (deel 1).

De antwoorden op een veelgestelde vraag! (deel 1).

Laatst kreeg ik de volgende vraag gesteld:”Ik heb sinds vorig jaar een camera van Fujifilm in mijn bezit. Ook heb ik daarbij 2 ‘lenzen’ aangeschaft. Nu wil ik graag een extra lens aanschaffen, maar weet niet goed wat voor lens ik nodig heb. Ik wil graag ver kunnen inzoomen (Wildlife / Natuur en Vogels fotograferen) Wat adviseer je mij? Welke kan ik het beste kiezen?

Natuurlijk komen er bij deze vraag veel meer aspecten kijken dan alleen de aanschaf van  het objectief zelf. Lichtsterkte, budget, gewicht en het doel waarvoor je een bepaald objectief wil gaan gebruiken. Ze zijn allemaal bepalend voor het antwoord op de bovenstaande vraag.

Welk type objectief je nodig hebt, hangt af van het doel van de foto of wat je graag wil gaan fotograferen. De brandpuntsafstand is bepalend voor het blikveld en de mogelijkheid hoeveel dichterbij je een bepaald onderwerp toch beeldvullend kunt fotograferen. De lichtsterkte is belangrijk voor de hoeveelheid licht die de sensor kan bereiken en dat komt ten goede aan de sluitertijd en/of scherptediepte. Tegelijkertijd betekent een lichtsterker objectief vaak ook meer gewicht en een hogere prijs.

Dat extra gewicht wordt veroorzaakt doordat een lichtsterk objectief met een groot diafragma méér en vooral groter ‘glas’ nodig heeft dan een objectief dat minder lichtsterk is. De benodigde doorsnede van het voorste lenselement wordt namelijk bepaald door de grootte van het diafragma.

Om die reden ga ik nu eerst in op de relatie tussen de lichtsterkte, de grootte van een objectief en het gewicht. Het tweede gedeelte van deze blog gaat over het bereik van het objectief en welk objectief je nodig hebt om een onderwerp beeldvullend te kunnen fotograferen.

Lichtsterkte in relatie tot formaat, gewicht en prijs

Neem nu bijvoorbeeld een 35mm f1.4 en een 35mm f2.0 objectief. Beide objectieven hebben dezelfde brandpuntsafstand en zullen je dus exact hetzelfde laten zien wanneer je door de zoeker kijkt. Toch zijn beide objectieven niet evengroot en evenzwaar. Dat verschil wordt veroorzaakt door het verschil in lichtsterkte en daarmee de grootte van het diafragma. Kortom; de diameter van het voorste lenselement wordt bepaald door het grootste diafragma waarover een objectief beschikt.

Zo moet een 35mm f1.4 een lensdoorsnede hebben van minimaal 35/1.4 ≥ 25mm en kent een 35mm f2.0 een lensdoorsnede van minimaal 35/2 ≥ 17.5mm.

De Fujinon XF35mm f1.4 naast de XF35mm f2.0. Twee op het oog gelijkende objectieven voor wat betreft beeldhoek, maar verschillend in lichtsterkte.

Dat verschil vertaald zich uiteindelijk ook in grootte en gewicht van een objectief. Het totaal oppervlak is (straal2*Pi), ofwel 490,8mm voor de 35mm f1.4 tegenover een oppervlak van 226,98mm). Naarmate de brandpuntsafstand en de lichtsterkte toeneemt heb je niet alleen meer ‘glas’ nodig, maar neemt ook de grootte en de prijs van een objectief toe. Om die reden zijn lichtsterke telelenzen vaak erg duur, terwijl de minder lichtsterke varianten redelijk betaalbaar blijven.

Neem nu bijvoorbeeld een objectief met een brandpuntbereik van 100mm tot 400mm en een objectief met een vaste brandpuntsafstand van 400mm. De 100-400mm variant heeft daarbij een diafragma van f4.5-5.6. Wat betekent dat op 100mm het grootste beschikbare diafragma f4.5 is, terwijl op 400mm het grootste beschikbare diafragma f5.6 bedraagt. Dat verschil noemen we overigens een diafragmaverloop. De 400mm kent een vaste brandpuntsafstand van f4.0.

Zoals je waarschijnlijk wel zult weten valt dat 400mm objectief in een totaal andere prijsklasse dan de genoemde 100-400mm. Hoe kan dat nu? De reden is gelegen in het verloop van het diafragma en de benodigde hoeveelheid lenselementen. Kortom de benodigde hoeveelheid glas en de lichtsterkte.

Een 400mm f4.0, kent een minimale diameter van 400/4 ≥ 100mm (oppervlak 7854mm2), terwijl de 100-400mm slechts een diameter kent van 400/5.6 ≥ 71,4mm (oppervlak 3959mm2). De genoemde 400mm f4.0 is daarmee dus stukken groter en zwaarder dan het 100-400mm f4.5-5.6 objectief en dat allemaal voor één stop extra lichtopbrengst.

Een Fujinon XF100-400mm f4.5 naast een Canon EF400mm f4. Twee objectieven met hetzelfde bereik, maar door de verschillende lichtsterkte toch totaal andere objectieven.

Of je dat de moeite waard vindt voor één stop extra lichtopbrengst kan ik niet voor jou bepalen, maar het verschil tussen ongeveer €1800,00 voor een 100-400mm f4.5-5.6 en een 400mm f4 die over de toonbank gaat voor een bedrag van ongeveer €6800,00, is natuurlijk wel flink groot. Wil je liever 2 stops verschil in lichtopbrengst, kortom een 400mm f2.8, dan koop je zo’n lens voor het toch wel enigszins astronomische bedrag van €10.800,00.

Je moet dus wel een enorme liefhebber zijn van het fotograferen van vogels, dieren of diverse sporten, wil je een dergelijk bedrag voor een objectief voor jezelf kunnen verantwoorden. Zeker in een tijd waarin het gebruik van hoge ISO waardes, tot ongeveer 6400 ISO zonder noemenswaardige ruis of kwaliteitsverlies mogelijk is. Dat is overigens geen oordeel, maar een feit.

Hoe ver is ver?

De brandpuntsafstand van een objectief is bepalend voor wat je beeldvullend in beeld kunt krijgen, of wat je graag wil gaan fotograferen.

Groothoek

Voor het fotograferen van bijvoorbeeld een landschap, willen we meestal graag zoveel mogelijk van de omgeving laten zien. Voor dat type fotografie gebruiken we in het algemeen gesproken een zogenoemde ‘groothoeklens’. Dat zijn objectieven die gemiddeld genomen een brandpuntsafstand kennen van 8mm (fisheye), tot ongeveer 24mm.

De XF10-24mm f4.0 OIS een zeer populaire groothoek zoomobjectief.

Omdat je bij dat type fotografie vaak zoveel mogelijk van de voor- en achtergrond scherp in beeld wil krijgen is de grootte van het diafragma vaak minder belangrijk. Vaak maken we een dergelijke foto met een diafragma van f9.0, f11.0 of nog kleiner, of fotograferen we een dergelijke scene vanaf statief.

Het verschil of dat het grootste diafragma van een dergelijk objectief dan f4.0 of f2.8 is, doet er dan eigenlijk niet zo heel veel toe. Dat is dan eigenlijk alleen belangrijk voor diegenen die de grenzen van het kunnen van een objectief opzoeken.

‘Normaal’ bereik

Objectieven met een bereik van tussen de 24 en 50mm, noemen we objectieven met een normaal bereik. Dat komt omdat je er de meeste onderwerpen die je graag wilt fotograferen mee kunt vastleggen. Van omgeving tot portret, straatfotografie en de alledaagse dingen zijn de zaken die we vaak met dergelijke objectieven vastleggen.

De XF16-55mm f2.8 een uitstekend professioneel zoomobjectief voor het ‘alledaagse’ werk.

De beeldhoek van dergelijke objectieven komt overeen met hoe wij mensen de wereld om ons heen over het algemeen ‘zien’. In creatieve zin is het geen ‘spannende’ beeldhoek, die je met dergelijke objectieven verkrijgt, maar ze zijn vooral populair omdat ze enorm breed en daardoor veelzijdig inzetbaar zijn.

Portret lens / Kort Tele

Korte telelenzen met een bereik vanaf 55mm tot 135mm noemen we ook heel erg vaak ‘portret lenzen’. Uiteraard zijn er geen specifieke objectieven waarmee je alleen een portret kunt vastleggen. Ze worden zo genoemd omdat je met dergelijke objectieven binnen deze brandpuntsafstanden veelal een mooie onscherpe achtergrond kunt verkrijgen wanneer je gebruik maakt van een groot diafragma en waardoor de geportretteerde mooi ‘los’ wordt gemaakt van de achtergrond.

Gebruik je een objectief van tussen de 50 en 70mm, dan is de mogelijkheid van een zeer groot diafragma, belangrijker dan bij objectieven die een grotere brandpuntsafstand kennen. De reden hiervoor is gelegen in de scherptediepteweergave en een fenomeen dat we ‘compressie’ noemen.

Bij een objectief met korte brandpuntsafstand wordt de weergave van de voor- en achtergrond al heel snel scherp weergegeven. Het is daarbij dan lastig om een onderwerp ‘los’ te kunnen maken van de achtergrond.

De afstand tot het te fotograferen onderwerp en de beeldhoek spelen hierbij dan een belangrijke rol. Is de beeldhoek te groot dan levert dit vaak veel scherpte op, met als gevolg een wat rommelige achtergrond. Is de beeldhoek te klein, dan moeten we de afstand tot het onderwerp vergroten. Wanneer het objectief dan een te klein diafragma als grootst instelbare diafragma kent, ook dan wordt de achtergrond al snel als ‘scherp’ weergegeven en gaat het effect van een scherpe voorgrond en onscherpe achtergrond al snel verloren.

De drie meest gebruikte objectieven voor het fotograferen van portretten. Van links naar rechts: de XF50-140mm f2.8 tele, de XF90mm f2.0 en de zeer lichtsterke XF56mm f1.2.

Door een objectief met een groot instelbaar diafragma te gebruiken kun je het probleem van een (te) scherpe achtergrond goed oplossen. Wanneer je voor jezelf een objectief wil aanschaffen speciaal voor het fotograferen van portretten, dan loont het zeker om te investeren in een objectief met een zo’n groot mogelijk diafragma, voor een mooie separatie tussen voor en achtergrond.

Naarmate de brandpuntsafstand toeneemt neemt het belang van een zeer groot diafragma een minder belangrijke rol in. Zo levert de 56mm f1.2 en de 90mm f2.0 vrijwel exact hetzelfde resultaat. Er is tussen deze twee objectieven nauwelijks verschil waarneembaar tussen achtergrondonscherpte en bokeh, wanneer beide objectieven op hun grootst instelbare diafragma worden gebruikt.

Welke je van deze twee objectieven je het beste kunt kopen is daarom lastig te zeggen. Er valt wat voor te zeggen om de XF56mm te prefereren boven de XF90mm. En belangrijke reden daarvoor is de lichtsterkte. Je kunt immers met minder licht toe, waardoor je ‘langer’ kunt fotograferen bij minder goede lichtomstandigheden. Bovendien is de afstand tussen jou en de geportretteerde van tussen de 3 en 5 meter vaak prettiger in de communicatie.

Tegelijkertijd kent de XF90mm het voordeel dat deze nieuwer is en daardoor in tijd genomen sneller kan scherpstellen en dat je bij zeer heldere lichtomstandigheden het diafragma niet hoeft te gaan ‘knijpen’. Dat wil zeggen, een kleiner diafragma hoeft in te stellen omdat er anders teveel licht op de sensor kan vallen. Het nadeel is de langere lengte van de brandpuntsafstand en daarmee neemt de afstand tussen jou als fotograaf en de geportretteerde toe. Bovendien betekent een ‘langere lens’, een snellere sluitertijd om bewegingsonscherpte te voorkomen.

Tussen deze beide objectieven kan ik geen ‘winnaar’, kiezen. Het voordel van de een is het nadeel van de ander en omgekeerd. Het komt daarbij tussen deze twee objectieven dus met name neer op een persoonlijke voorkeur.

Telelenzen

Telelenzen gebruiken we vooral om onderwerpen op grotere afstand te kunnen fotograferen. De meest gebruikte afstanden voor een tele objectief loopt over het algemeen van zo’n 100mm tot 600mm of groter. In dat geval spreken we van supertele.

Deze objectieven zijn vooral populair voor het fotograferen van sporten of dieren in de natuur. Meestal kun je dergelijke objectieven nog ‘verlengen’ door gebruik te maken van een teleconverter. Met een dergelijke teleconverter vergroot je de brandpuntsafstand en daarmee kun je onderwerpen nog dichterbij halen. Vaak zien we dergelijke teleconverters vaak in de vorm van een 1.4x en 2.0x variant.

Dat betekent dat een objectief van 50-140mm f2.8 wordt verlengt naar een 70-196mm objectief, of bij gebruik van een 2.0x converter naar 100-280mm) en een 100-400mm wordt verlengt in bereik naar 140-560mm, respectievelijk 200-800mm.

De (semi)professionele XF100-400mm supertele naast de eenvoudigere en meer budget geprijsde XC55-200mm.

Het mooie daarbij is dus dat je met een dergelijke teleconverter onderwerpen aanzienlijk dichterbij kunt halen. Maar zoals Cruyff destijds al zei ‘Ieder voordeel heb zijn nadeel’. Want, ondanks dat het bereik van een objectief wordt vergroot, neemt ook de lichtsterkte af en wel met 1 respectievelijk 2 stops.

Een 50-140mm f2.8 wordt daarmee bij gebruik van een 1.4x converter een objectief met een maximale lichtopbrenst van f4.0 en bij gebruik van een 2.0x converter zelfs een objectief met een maximale lichtopbrengst van f5.6.

De 100-400mm f4.5-5.6 kent bij gebruik van een 1.4x converter een maximale lichtopbrenst van f8.0 en wordt bij gebruik van een 2.0x converter een objectief met als grootste diafragma f11.0.

Kortom; De lichtopbrengst neemt bij gebruik van een teleconverter aanzienlijk af en daarmee wordt je niet alleen beperkt in de mogelijkheid om te kiezen voor snelle sluitertijden, maar wordt je ook beperkt in de snelheid waarmee het autofocussysteem werkt. Bovendien neemt een dergelijke converter ook nog een heel klein beetje van de maximale scherpte weg. Zo’n teleconverter is dus niet alleen een voordeel, maar kent ook een aantal nadelen.

Hiermee sluit ik het eerste gedeelte van deze blog af. Maar niet getreurd in deel twee van deze blog ga ik het hebben over beeldvullend fotograferen.

Ik leg je daarin uit wat dat betekent en dat beeldvullend fotograferen niet automatisch hetzelfde is als het gebruiken van een tele-objectief. Kortom in deel twee leg ik je uit welk objectief je kunt gebruiken voor welke situatie en dat dichtbij of veraf relatief is ten opzichte van het te fotograferen object…..

Het principe achter de lichtmeter in je camera

Licht & Belichting

Heb jij jezelf weleens afgevraagd hoe je camera weet welke belichting er nodig is voor een ‘correct belichte’ opname? Als jij je dit ook weleens hebt afgevraagd, dan is deze blog er eentje die je moet lezen. Want in deze blog leg ik je uit hoe de belichtingsmeter in je camera werkt en in hoeverre we erop kunnen vertrouwen.

JE CAMERA DENKT NIET WIT, DENKT NIET ZWART, MAAR ZIET ALLES GRIJS

Om te begrijpen hoe de camera weet welke belichting ‘de juiste’ is, moet je allereerst weten dat je camera zelf géén kleuren ziet. De lichtmeter in je camera ziet namelijk alles alléén in grijstinten zoals, in een zwart wit opname. Vervolgens mixt je camera alle schaduwen en hooglichten, telt deze bij elkaar op en maakt er vervolgens een gemiddelde waarde van. Het grappige is dat de uitkomst van die rekensom eigenlijk altijd resulteert in min of meer dezelfde uitkomst.

Wat jij ziet en wat je camera ziet is totaal wat anders.

In 75% tot 80% van alle gevallen is de uitkomst namelijk ongeveer 50% grijs. Omdat die rekensom eigenlijk altijd klopt wordt hij ook op deze wijze toegepast in de lichtmeter van je camera. De verschillende lichtmeetmethodes waarover je camera beschikt maken allemaal gebruik van ditzelfde 50% principe. Het verschil tussen een centrum gewogen meting, een matrix meting, een gemiddelde meting of spotmeting is daarmee enkel de wijze waarop de verschillende schaduwen en hooglichten gemengd worden en het gebied waarover de lichtmeting plaatsheeft.

Goed maar niet feilloos

Ondanks dat deze lichtmeetmethode voor het meerendeel van de foto’s correct werkt, is de lichtmeter in je camera helaas niet onfeilbaar. Soms laat hij namelijk ook weleens een steekje vallen. Dat is meestal het geval als de verhouding tussen schaduwen en hooglichten niet klopt. Denk daarbij bijvoorbeeld maar eens aan een situatie waarin je een foto wil maken in een sneeuwlandschap, of op een zandstrand op een zéér zonnige dag.

Ook in situaties waarin we willen fotograferen met tegenlicht is de kans vrij groot dat de lichtmeter in je camera een foutieve terugkoppeling geeft. De lichtmeter in je camera zet je daarbij dan dus op het verkeerde been.

Datzelfde gebeurt ook wanneer de omgeving vrij donker is. Bijvoorbeeld bij het maken van nachtopnames of wanneer je wil gaan fotograferen in een donker bos, of wanneer je gebruik wil maken van een hele donkere achtergrond.

In de bovengenoemde situaties waarin je fotografeert in een hele heldere of juist hele donkere omgeving, zal de lichtmeter in je camera de situatie willen corrigeren, maar daarbij gaat het dan dus fout.

Wanneer je de camera zelf zijn gang zou laten gaan wordt alles grijs en grauw, terwijl de werkelijke situatie juist lichter of donkerder zou moeten zijn.

Hoe je het ook went of keert, je camera ziet geen ‘zwart’, ziet geen ‘wit’, maar ziet altijd ‘grijs’.

Probeer het zelf maar eens, want het héél gemakkelijk om je camera voor de gek te houden!

Alles wat je daarvoor nodig hebt is een wit en een zwart velletje papier ter grootte van een A4’tje. Op deze velletjes papier zet je in het midden een klein maar zichtbaar kruisje. Dat kruisje gebruiken we om de camera automatisch scherp te laten stellen. Zet je dat kruisje niet, dan zul je handmatig moeten scherpstellen, omdat het de camera dan ontbreekt aan een richtpunt.

Stel je camera nu zo in dat je het diafragma, de sluitertijd en de ISO waarde zelf moet instellen. Kortom we gaan een handmatige belichting maken, waarbij je zelf de controle behoud over de drie belichtingsparameters van je camera.

Nu we de camera hebben ingesteld op ‘M’, gaan we het beeld kaderen. Dat doe je in dit geval door ervoor te zorgen dat de zoeker het gehele velletje papier volledig in beeld heeft, er mogen daarbij geen randen van het vel papier meer zichtbaar zijn. Vervolgens stel je scherp op het kruisje dat je op het vel papier hebt gezet.

Je zult nu zien dat wanneer je de belichting precies correct hebt ingesteld het vel papier als ‘grijs’ wordt weergeven in de zoeker (of achterop het LCD scherm). Het maakt daarbij niet uit of je nu een wit of zwart vel papier hebt gebruikt. Het resultaat is in beide gevallen vrijwel gelijk.

Ook zul je zien dat het histogram ‘precies’ in het midden een duidelijke piek laat zien. Dat wordt veroorzaakt doordat de camera zal corrigeren naar de eerder besproken 50% grijswaarde.

Belichtingscompensatie

Om toch een juiste belichtingsweergave te verkrijgen wanneer je een donkere of juist heel heldere scene wil fotograferen zul de de camera daarvoor moeten compenseren.

Je zult bij een foto op het strand, in de sneeuw of bij een zonsondergang (dat zijn heldere scenes), de camera handje moeten helpen door te kiezen voor een langere sluitertijd, of door het verhogen van de ISO waarde. Dat klinkt tegennatuurlijk, maar het is de enige manier om toch een correcte belichting te verkrijgen, zonder dat je daarbij het diafragma aan hoeft te passen.

Wil je bij een foto met weinig omgevingslicht, zoals in het bos, of bij een nachtopname een natuurlijke uitstraling behouden, dan zul je de sluitertijd juist moeten verkorten, of zul je de ISO instelling op je camera juist moeten verlagen.  Wil je graag silhouetten fotograferen in combinatie met tegenlicht? Ook dan verkort je de sluitertijd, omdat je daarmee alle detaillering in de schaduwen weg zult nemen.

Het compenseren van een ‘witte’ of ‘donkere’ achtergrond; Voor een meer heldere achtergrond, verleng je de sluitertijd, voor een meer donkere achtergrond verkort je de sluitertijd. Let er daarbij wel altijd goed op dat het te fotograferen onderwerp zelf correct belicht blijft.

Belichtingscompensatie en je Fujifilm camera

Maak je gebruik van een halfautomaat functie zoals bijvoorbeeld ‘diafragmavoorkeur’, dan zul je om de belichting te compenseren, gebruik moeten maken van de grote belichtingscompensatieknop die daarvoor bovenop op je camera aanwezig is

Bij iedere camera uit de Fujifilm X-Serie kun je deze knop in ieder geval verstellen van 0 naar -3Ev en van 0 naar +3 stops Ev in stapjes van 1/3e stop. Wanneer je deze knop naar ‘plus’ (tegen de klok in) draait dan zal het beeld in de zoeker of achterop het LCD scherm helderder worden.

Wanneer je de belichtingscompensatieknop naar ‘Min’ (met de klok mee) draait, dan zal het beeld in de zoeker of achterop het LCD scherm donkerder worden.

Ook zul je daarbij zien dat de belichtingsmeter daarbij van ‘0’ naar boven gaat (plus) als het beeld helderder wordt, en naar beneden gaat (min) als het beeld donkerder wordt.

In de semi automatisch stand diafragmavoorkeur zul je zien dat de sluiterijd daarbij toeneemt (plus), of juist korter wordt (min). Wanneer je gebruik maakt van ‘sluitertijdvoorkeur’ dan zal de camera daarbij het diafragma verder open draaien (plus), of juist knijpen (min). Belangrijk bij deze camerastand is dat je héél goed moet opletten op de kleur van de weergave van het diafragma in de zoeker.  Zodra de weergave van het diafragma in het ‘rood’ wordt weergegeven; betekent dat het diafragma niet verder kan worden geopend, of verkleind. Het resultaat van de opname zal daarbij zijn dat de foto dan gegarandeerd over-, maar meestal onderbelicht zal zijn.

De draaiknop voor de belichtingscompensatie op de nieuwste generatie camera’s uit de X-Serie van Fujifilm beschikken ook over een ‘C’ stand. De ‘C’ staat daarbij voor ‘Commando’. Wanneer je belichtingscompensatieknop op deze stand plaatst kun je een opname compenseren van +5 Ev tot -5Ev. Om de belichtingscompensatie uit te voeren, druk je dan eerst kort op het voorste instelwiel, waarna je de belichtingscompensatie kunt wijzigen via dit wieltje voorop je camera.

Samengevat

Nu je weet hoe de belichting van je camera wordt gemeten en hoe je deze kunt compenseren, ben je als het goed is straks iedere belichtingssituatie de baas.

Je weet nu precies wanneer je moet compenseren en dat je bij een zéér heldere situatie de sluitertijd juist moet verlengen in plaats van verkorten om een correct belichte opname te verkrijgen. Tegelijkertijd weet je nu ook dat je bij een donkere scene juist de sluitertijd iets zult moeten verkorten om te compenseren voor een te heldere weergave.

Het corrigeren van de belichting doe je met de knop belichtingscompensatie. Dat kan alleen als je gebruik maakt van de (half)automaat standen op je camera. Maak je gebruik van een volledig handmatige belichtingsinstelling, dan zul je zelf moeten compenseren door aan de sluitertijd of ISO knop te draaien.