Close

Tag Archive for: Objectieven

Sigma geeft update vrij over compatibiliteit van haar objectieven met de Nikon Z en Canon EOS R.

28-oktober 2018 – Sigma heeft een lijst met compatible objectieven vrijgegeven voor fotografen die werken met een Nikon Z of Canon EOS R systeemcamera’s. Sigma had al aangegeven haar objectieven uitgebreid te testen om te kijken welke objectieven eventueel problemen zouden opleveren met deze nieuwe cameratypes van Nikon en Canon.

Volgens Sigma zouden er geen ‘problemen’ mogen zijn met haar objectieven wanneer deze worden gekoppeld aan de Canon EOS R. Tegelijkertijd geeft Sigma wel aan dat daarvoor de optie ‘Lens optimalisatie’ dient te worden uitgeschakeld wanneer er objectieven van Sigma worden gebruikt. Dat betekent dat er geen automatisch lens correcties voor ton- en kussenvorming, of voor chromatische abberaties of andere lensafwijkingen beschikbaar zijn wanneer deze worden ingeladen in een RAW converter.

Voor wat betreft de Nikon Z7 en Z6 heeft Sigma nu een lijst opgesteld met 36 objectieven die zijn getest en welke compatible zijn in combinatie met de FTZ lensadapter. Zowel AF als AE opties zijn daarbij beschikbaar.

Er zijn momenteel 4 objectieven waarbij er afwijkingen zijn gevonden het betreft hier de volgende objectieven: SIGMA 24-35mm F2 DG HSM | Art, 50mm F1.4 DG HSM | Art, 85mm F1.4 DG HSM en APO 800mm F5.6 EX DG HSM  | Art. Sigma heeft aangegeven voor deze objectieven op een later moment nog extra informatie te geven met uitzondering van de APO 800mm waarvoor géén firmware update beschikbaar komt!. 

Daarnaast heeft Sigma aangegeven dat het niet mogelijk is om deze objectieven te gebruiken in combinatie met haar tele-extenders.

Sigma objectieven.

Voor wat betreft objectieven met ingebouwde optische lens stabilisatie wordt aangegeven dat deze het beste functioneren als zowel stabilisatie op het objectief als ook stabilisatie in de camera wordt toegepast.

Voor de Nikon Z-Serie zijn de volgende objectieven compatible bevonden:

DG Objectieven

  • 12-24mm F4 DG HSM | Art
  • 14-24mm F2.8 DG HSM | Art
  • 24-70mm F2.8 DG OS HSM | Art
  • 24-105mm F4 DG OS HSM | Art
  • 60-600mm F4.5-6.3 DG OS HSM | Sports
  • APO 70-200mm F2.8 EX DG OS HSM
  • APO 70-300mm F4-5.6 DG MACRO
  • 70-300mm F4-5.6 DG MACRO
  • 100-400mm F5-6.3 DG OS HSM
  • 120-300mm F2.8 DG OS HSM | Sports
  • 150-600mm F5-6.3 DG OS HSM 
  • 150-600mm F5-6.3 DG OS HSM | Sports
  • APO 200-500mm F2.8 / 400-1000mm F5.6 EX DG
  • APO 300-800mm F5.6 EX DG HSM
  • 14mm F1.8 DG HSM | Art
  • 20mm F1.4 DG HSM | Art
  • 24mm F1.4 DG HSM | Art
  • 35mm F1.4 DG HSM | Art
  • 105mm F1.4 DG HSM | Art
  • 135mm F1.8 DG HSM | Art
  • 500mm F4 DG OS HSM | Sports
  • MACRO 105mm F2.8 EX DG OS HSM
  • APO MACRO 150mm F2.8 EX DG OS HSM
  • APO MACRO 180mm F2.8 EX DG OS HSM

DC Objectieven

  • 8-16mm F4.5-5.6 DC HSM
  • 10-20mm F3.5 EX DC HSM
  • 17-50mm F2.8 EX DC OS HSM
  • 17-70mm F2.8-4 DC MACRO OS HSM
  • 18-35mm F1.8 DC HSM | Art
  • 18-200mm F3.5-6.3 DC MACRO OS HSM
  • 18-250mm F3.5-6.3 DC MACRO OS HSM
  • 18-300mm F3.5-6.3 DC MACRO OS HSM
  • 50-100mm F1.8 DC HSM | Art
  • 4.5mm F2.8 EX DC CIRCULAR FISHEYE HSM
  • 10mm F2.8 EX DC FISHEYE HSM
  • 30mm F1.4 DC HSM | Art

Canon

Voor de Canon EOS R zijn de volgende objectieven compatible bevonden:
Contemporary line

  • SIGMA 17-70mm F2.8-4 DC MACRO OS HSM
  • SIGMA 18-200mm F3.5-6.3 DC MACRO OS HSM
  • SIGMA 18-300mm F3.5-6.3 DC MACRO OS HSM
  • SIGMA 100-400mm F5-6.3 DG OS HSM
  • SIGMA 150-600mm F5-6.3 DG OS HSM

Art Line

  • SIGMA 18-35mm F1.8 DC HSM | Art
  • SIGMA 50-100mm F1.8 DC HSM | Art
  • SIGMA 12-24mm F4 DG HSM | Art
  • SIGMA 14-24mm F2.8 DG HSM | Art
  • SIGMA 24-35mm F2 DG HSM | Art
  • SIGMA 24-70mm F2.8 DG OS HSM | Art
  • SIGMA 24-105mm F4 DG OS HSM | Art
  • SIGMA 14mm F1.8 DG HSM | Art
  • SIGMA 20mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 24mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 30mm F1.4 DC HSM | Art
  • SIGMA 35mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 50mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 70mm F2.8 DG MACRO | Art
  • SIGMA 85mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 105mm F1.4 DG HSM | Art
  • SIGMA 135mm F1.8 DG HSM | Art

Sports Line

  • SIGMA 60-600mm F4.5-6.3 DG OS HSM | Sports
  • SIGMA 120-300mm F2.8 DG OS HSM | Sports
  • SIGMA 150-600mm F5-6.3 DG OS HSM | Sports
  • SIGMA 500mm F4 DG OS HSM | Sports

Bron: Sigma

De MTF grafiek – De snelste manier om een ‘lens’ te beoordelen op zijn waarde.

De snelste manier om een ‘lens’ te boordelen op zijn waarde.

De meeste fotografen kijken bij de aanschaf van een objectief vaak allereerst naar de prijs en de lichtsterkte. Daarna wordt waarschijnlijk pas gekeken hoe ‘scherp’ de ‘lens’ is die je wilt kopen. Een objectief dat van hoek tot hoek volledig scherp is, die is zijn gewicht in goud waard. Althans, dat willen de objectlevenmakers je graag doen laten geloven. Maar hoe kun je nu eigenlijk zelf zien op basis van de gegeven specificaties van de fabrikant hoe ‘scherp’ een objectief is vóórdat je hem hebt gekocht. Immers je wil graag vooraf al weten wat je mag verwachten van het oplossend vermogen, de contrastweergave en zelfs de scherptediepte? In deze blog leg ik het je uit dat dit kan door het kunnen lezen en interpreteren van een zogenoemde MTF grafiek!

Objectieven en lichtbrekingen

Wie net een nieuw objectief heeft gekocht heeft ongetwijfeld gezien dat er in de doos ook een boekje zat en dat in dat boekje een aantal grafieken afgebeeld staan. Die grafieken kwam je misschien ook al tegen toen je op internet ging zoeken naar meer informatie over de ‘lens’ die je op het oog had, of net hebt gekocht.Over het algemeen gezien zal zo’n grafiek er ongeveer als volgt uit zien:

Een voorbeeld van een MTF grafiek, maar wat betekent zo’n grafiek eigenlijk?

Je ziet op die grafiek een aantal lijnen getekend die bestaat uit vaste lijnen en gestippelde lijnen. Je ziet ook dat die lijnen over het algemeen genomen aan het einde van de grafiek een neerwaartse richting volgen. Soms lopen deze lijnen zelfs tot bijna helemaal beneden.

Zo’n grafiek zoals je hierboven ziet noemen we een ‘MTF grafiek’. De afkorting MTF staat daarbij voor ‘Modulation Transmission Function’. Dat is zoals je ziet een hele mond vol met technische termen. Ik neem het je niet kwalijk als je niet in één keer begrijpt waar dat voor staat. Gelukkig ook maar want anders zou ik deze blog ook niet hoeven te schrijven.

Deze grafiek geeft eigenlijk aan hoe het licht door het objectief wordt verwerkt. Licht wordt binnenin een objectief namelijk door de verschillende lenzen en lensgroepen aantal keer verbogen, om uiteindelijk zo recht mogelijk op de sensor te belanden.

Je kunt daardoor ook zeggen dat de MTF grafiek aangeeft hoe een objectief omgaat met de scherpte- en contrastweergave. We noemen dat het ‘oplossend vermogen’. Zo’n grafiekje verteld je daarmee iets over de scherpte waarmee een opname kan worden gemaakt.

De meeste fabrikanten tonen de prestaties van hun objectieven op basis van het grootst mogelijke diafragma waarover het objectief beschikt. Bij een zoomlens worden altijd twee grafieken weergegeven. De ene grafiek is dan op basis van de kortste brandpuntsafstand. De tweede grafiek geeft de prestaties van het objectief weer op basis van de langste brandpuntsafstand (wanneer er volledig is ingezoomd).

Waarom is het handig om een MTF grafiek te kunnen lezen?

Het kunnen lezen van een MTF grafiek kan je enorm helpen bij het maken van de keuze voor een objectief dat je graag zou willen aanschaffen. Het is bovendien een objectieve manier om een ‘lens’ te kunnen beoordelen op zijn kunnen.

Zo geeft een MTF grafiek je informatie over de scherpte en het oplossende vermogen van een objectief wanneer deze wordt gebruikt bij een ‘vol open’ diafragma. Je kunt namelijk aan de grafiek aflezen hoe de contrastweergave is en je kunt zien hoe zuiver het beeld is (astigmatisme) en hoeveel kleurverschuiving (chromatische aberratie) er kan optreden. Zo’n grafiek verteld je zelfs iets over de te verwachte bokeh (achtergrondonscherpte).

Het is dus erg nuttig om zo’n grafiek te kunnen lezen, want het verteld je veel over de prestaties van een lens.

Het perfect ontworpen en gefabriceerde objectief zou al het licht doorlaten en kent een perfecte breking van de lichtstralen. Iedere foton (lichtdeeltje) dat daarbij het objectief binnenkomt zou dan ook op de sensor kunnen landen. Helaas het perfecte objectief kan niet worden geproduceerd. Sterker nog. Juist doordat er wat lichtverlies optreedt krijgt ieder objectief zijn eigen charme.

De lensopbouw van een Fujinon XF16-55mm f2.8 objectief. Licht wordt door verschillende lensdelen gebroken.

Geen enkel objectief is namelijk 100% doorzichtig. Ieder lensdeel heeft immers een bepaalde dikte en het gebruikte glas kenmerkt zich door zijn eigen dichtheid. Het licht wordt door iedere lens in een objectief ietsjes verbogen en door deze brekingen van het licht zal ook niet al het licht de sensor van je camera kunnen bereiken.

Dit verlies van licht wordt uitgedrukt als de ‘contrastweergave’.

Je moet dat zien als hoe minder licht de sensor bereikt, hoe hoe minder verloop er is tussen helder en donker. Er zijn dan dus minder ‘tinten’ beschikbaar. Minder verschillende tinten betekent dus verlies aan contrast.

Contrast vormt het fundament voor de resolutie. Een goede contrastweergave betekent namelijk ook dat alle contouren duidelijk zijn afgetekend. We noemend dit resolutie of scherpte. Hoe meer details door onze ogen kunnen worden onderscheiden hoe hoger de resolutie.

De hoeveelheid contrastweergave en de scherpte resulteert in het zogenoemde oplossende vermogen van een objectief.

Het oplossende vermogen van een objectief op waarde schatten

Om te weten hoe goed de resolutie is van een objectief meten we dat af aan het aantal lijnen of lijnparen per millimeter (lp/mm) die we (gemiddeld gezien) met het blote oog nog kunnen onderscheiden. Zo verkrijg je een objectieve meting.

De weergave van het oplossende vermogen van een objectief wordt over het algemeen in een grafiek weergegeven op basis van twee verschillende resoluties: 10lp/mm (lage resolutie) en 30 lp/mm (hoge resolutie). De meting die wordt uitgevoerd op 10lp/mm is voor de contrastweergave. De meting die wordt uitgevoerd op 30lp/mm is voor de weergave van de scherpte en resolutie.

De twee verschillende soorten metingen (één op lage en één hoge resolutie) zijn noodzakelijk omdat ze door onze ogen ieder op een andere wijze worden geïnterpreteerd.

Het oplossende vermogen wordt niet alleen in het midden van een objectief gemeten, door op verschillende afstanden vanaf het centrum een meting uit te voeren kunnen we goed zien hoe goed de contrastweergave en scherpte blijven naar de randen van het beeld .

Om te zien hoe ‘goed’ een objectief presteert worden de metingen niet alleen in het midden van het objectief uitgevoerd, maar worden deze metingingen vanuit het midden op verschillende afstanden herhaalt. Zo kun je dan goed zien óf en hoeveel afname er is van het oplossende vermogen van een objectief.

Bij een 35mm full frame camera worden de metingen gedaan om de 5mm, dus 5mm, 10mm, 15mm en 20mm vanaf het centrum. Een meting bij 20mm beslaat zo’n 90% van het sensoroppervlak. Daar kun je dan dus goed zien hoe een objectief presteert aan de randen.

Het meten van een objectief voor een APS-C camera, zoals bijvoorbeeld die van Fujifilm, werkt de meetmethode hetzelfde. Echter, omdat de sensor kleiner is wordt de rand van de sensor bereikt bij ongeveer 14.2mm

Op de Y-as van de grafiek zien we hoe goed een ‘lens’ presteert. De weergave loopt van 0 tot 1, maar je kunt evengoed zeggen dat 0 staat voor 0% en een score van 1 staat voor 100%. Kortom, hoe hoger de lijn ligt hoe beter het oplossende vermogen van een objectief. Als de grafiek een lange rechte lijn laat zien is dat dus een ‘goede’ lens.

Hoe je de lijnen moet lezen en wat ze vertegenwoordigen leg ik je hieronder uit:

Contrastweergave

De lijn die wordt weergegeven voor de lage resolutie (10lp/mm) wordt meestal in het rood weergegeven. Deze lijn geeft de contrastweergave aan. Zodra deze lijn daalt betekent dat dus een afname van de hoeveelheid licht die de sensor bereikt. Door contrastafname wordt het beeld donkerder en lopen de verschillende kleuren en helderheden dicht. We zien dit vaak gebeuren in de hoeken van de sensor. De afname wordt mede veroorzaakt door de grootte van de beeldcirkel.

Scherpte

De tweede lijn die je ziet (vaak blauw) geeft aan hoe scherp een objectief is. Deze geeft namelijk de detailweergave aan. De detailweergave wordt gemeten op basis van het kunnen onderscheiden van 30 lijnparen per millimeter. Een perfecte score wordt verkregen als alle 30 lijnparen kunnen worden geteld. De lijn daalt naarmate er minder individuele lijnparen van elkaar kunnen worden onderscheiden.

Wanneer je naar de grafiek kijkt zie je ook dat er voor zowel de contrastweergave als ook voor de scherpte twee verschillende lijnen worden getekend. Een doorgetrokken lijn en een onderbroken stippellijn.

Het oplossende vermogen van een objectief wordt zowel over de horizontale als verticale as gemeten.

Het sagittale vlak

De doorgetrokken lijn staat daarbij voor het zogenoemde sagittale vlak. Dat betekent de transmissie van het licht (lichtdoorlaat) in horizontale richting van het objectief.

Het meridiaalvlak

De stippellijn staat voor het zogenoemde meridiaanvlak. Dat betekent de transmissie van het licht (lichtdoorlaat) in verticale richting van het objectief.

Het sagittale vlak en het meridiaanvlak samen vertellen je wat over de beleving van de achtergrondonscherpte (bokeh). Hoe dichter de doorgetrokken lijn en de stippellijn bij elkaar liggen hoe vloeiender en gladder de beleving is van de achtergrondonscherpte (bokeh). Gezien het gegeven dat de meting wordt gedaan op het grootst mogelijke diafragma van een objectief kun je dus goed inschatten hoe zacht de achtergrondonscherpte zal worden beleefd. Je kunt er ook aan aflezen hoeveel chromatische aberratie (kleurverschuiving) een objectief kent. Bij een perfect objectief vallen zowel het sagittale- als het meridiale vlak samen.

NIKKOR Z 50mm f/1.8 S – Een groot oplossend vermogen tot in de hoeken.

Nu blijft de vraag natuurlijk over, wat is ‘goed’ en wat is ‘slecht’ voor wat betreft contrastweergave als de weergave van resolutie. Over het algemeen genomen zal de contrastweergave altijd beter zijn dan het oplossende vermogen van de resolutie.

Wanneer je een MTF grafiek leest kun je in zijn algemeenheid zeggen dat alles wat hoger is dan 0.9 mag worden geclassificeerd als ‘uitstekend’. Alles tussen 0.7 en 0.9 mag worden gezien als ‘goed’ en alles onder 0.5  is over het algemeen gesproken matig tot soft. Alles onder 0.2 is gewoon aan te duiden als ‘slecht’. Tegelijkertijd is dat mijn eigen interpretatie voor wat ‘goed’ en ‘slecht’ is. Die definitie ligt uiteindelijk voor iedereen weer net even anders.

Een voorbeeld

Laten we het nu eens allemaal bekijken aan de hand van een echt voorbeeld.

Het oplossende vermogen van een objectief is over het algemeen genomen het grootste in het midden van het beeld. Kortom scherpte en resolutie zijn daar het beste. Hoe verder we richting de rand van het beeld gaan hoe meer ‘lensfouten’ zichtbaar worden. Je mag dus verwachten dat een grafiek altijd hoog begint om vervolgens te gaan dalen. Hoe langer een objectief een rechte lijn laat zien hoe beter de optische prestaties van een objectief.

Een MTF grafiek is dus vooral handig wanneer je objectieven op een eerlijke manier met elkaar wilt vergelijken. Dat vergelijken kan eigenlijk alleen objectief gebeuren als bedie objectieven dezelfde brandpuntsafstand hebben én een gelijkwaardig diafragma gebruiken.

Een eerlijk vergelijk tussen twee objectieven van hetzelfde merk op basis van dezelfde brandpuntsafstand en hetzelfde grootste diafragma van f1.8. 

In de bovenstaande grafiek vergelijk ik twee objectieven van hetzelfde merk en met dezelfde brandpuntsafstand en diafragma.

Het objectief aan de linkerzijde is de Nikkor Z 50mm f1.8 S en het objectief aan de rechterzijde is de Nikkor AF-S 50mm f1.8.

Het verschil?

Het objectief aan de linkerzijde is specifiek ontworpen voor de nieuwe Z-Mount van Nikon en daarmee voor een systeemcamera, terwijl het objectief aan de rechterzijde is ontwikkeld voor een spiegelreflex camera.

Wanneer ik diverse fora raadpleeg op internet zie ik veel mensen klagen over de prijs van het nieuwe Z-Systeem van Nikon. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid op met de vraag of die kritiek nu echt terecht is. Voor de goede orde. Het Nikkor Z 50mm f1.8 objectief gaat over de toonbank voor €679,00, terwijl het Nikkor AF-S 50mm f1.8 objectief wordt verkocht voor slechts €229,00.

Op basis van het grote prijsverschil lijkt de kritiek dat het nieuwe systeem en de objectieven ervoor nogal ‘duur’ is terecht.  Immers een prijsverschil van zo’n €450,00 is geen ‘kattepis’. Daar mag dus wel wat tegenover staan om zo’n groot prijsverschil te rechtvaardigen. Immers, het zijn beide objectieven voor een digitale 35mm (full frame) camera en in die zin voor een soortgelijke sensor.

Laten we daarom deze objectieven eens niet op prijs vergelijken maar op hun specificaties en het oplossende vermogen, dan wordt al snel duidelijk dat beide objectieven zich eigenlijk niet met elkaar laten meten. Het objectief voor het nieuwe Z-Systeem van Nikon is dan domweg gezien een klasse apart.

Voor het nieuwe 50mm S objectief voor het Z-Systeem blijven de contrasten behouden tot bijna 17.5mm vanaf het centrum van de beeldcirkel, terwijl we bij het oude vertrouwde AF-S objectief zien dat de contrastweergave vrijwel direct begint te dalen. Eerst nog wat langzaam, maar vanaf zo’n 10mm vanaf het centrum daalt deze snel door tot een score van 30% aan de randen voor het sagittale vlak (horizontaal). De doorlaat van het licht via het meridiaal vlak (verticaal) blijft redelijk goed behouden, maar is met een score van 75% nog steeds beduidend minder dan het nieuwe 50mm S objectief voor het Z-Systeem.

We zien bovendien dat bij het nieuwe 50mm S objectief dat zowel de sagittale meting als wel de meting over het meridiaal, dat deze lijnen voor wat betreft de contrastweergave zeer dicht tegen elkaar aan blijven lopen. We kunnen hieruit de conclusie trekken dat dit objectief weinig last heeft chromatische aberratie (CA). Er is immers weinig verschuiving over de horizontale- en verticale as waar te nemen. Het objectief blijft daarmee kleurzuiver. De brandpuntsafstand voor iedere golflengte van het licht wordt dus goed behouden.

Wanneer we nu kijken naar het wat oudere 50mm f1.8 AF-S objectief dan zien we dat de doorgetrokken lijn en de stippellijn niet mooi bij elkaar blijven lopen. De conclusie die daaruit kan worden getrokken is dat dit oude objectief niet alleen een minder goede kleurweergave heeft en behoorlijk last heeft van vignetvorming naar de hoeken, maar ook dat het AF-S objectief beduidend meer last heeft van lensafwijkingen zoals chromatische aberratie (CA).

Voor diegenen die niet weet wat Chromatische aberratie betekent. Dit is een afwijking op kleur in golflengtes doordat niet alle lichtstralen exact door hetzelfde brandpunt gaan. Je ziet deze ‘lensfout’ vaak terug bij gebruik van een groot diafragma en waarbij er grote contrastverschillen waar te nemen zijn. Bijvoorbeeld langs de randen van een object zoals een boom. Je ziet dan vaak een rode/paarse en groene lijn. Zo’n lijntje kan behoorlijk storend zijn.

Een duidelijk voorbeeld van chromatische aberratie bij een 50mm objectief. 

Laten we nu eens kijken naar de resolutie van beide objectieven. Ook hier is een groot verschil te zien tussen het nieuwe 50mm f1.8 S objectief voor het nieuwe Z-Systeem en het 50mm f1.8 AF-S objectief voor de oude vertrouwde spiegelreflex camera. Het 50mm f1.8 S objectief laat pas na zo’n 15mm vanaf het midden van het beeldvlak een kromming zien. Dat betekent dat vanaf dat punt de scherpte iets af gaat nemen. Die scherpte blijft redelijk behouden tot en met de randen van het beeld. De daling van scherpte wordt veroorzaakt door de bolling van de verschillende lensdelen. De hoeveelheid buiging van het licht is dan verantwoordelijk voor de afname van de scherpte. Hier zie je dat de nieuwe grotere lensvatting van de Nikon Z zijn nut bewijst. Er is wel een afname van scherpte, maar doordat het licht minder hoeft af te buigen om het sensoroppervlak te raken kan de scherpte tot een redelijk niveau behouden blijven.

Tegelijkertijd zie je in de grafiek voor het 50mm f1.8 AF-S objectief direct de makke van de oude lensvatting. Door de kleine(re) lensvatting moet het licht meer gebogen worden. Dat heeft direct gevolgen voor de scherpte. Dit is ook een probleem dat je veel ziet bij de objectieven voor de Sony E-mount. Deze is eigenlijk te klein voor een kwalitatief goede weergave op een Full Frame sensor. De scherpte neemt bij het 50mm AF-S objectief  tot een bedenkelijk niveau. Aan de randen van een foto zal bij gebruik van het Nikkor AF-S 50mm f1.8 objectief weinig écht scherp zijn.

Wat we ook aan de grafieken kunnen aflezen is dat de achtergrondonscherpte (bokeh), bij het nieuwe 50mm objectief voor de Nikkor Z, veel zachter is dan bij het oude objectief dat gebruikt wordt voor spiegelreflex camera’s.

Nu we beide objectieven op een eerlijke wijze met elkaar hebben vergeleken, kunnen we eigenlijk pas beoordelen of de nieuwe objectieven voor het Nikkor Z systeem ‘duur’ of ‘betaalbaar’ zijn. Als je het mij vraagt is het prijsverschil gerechtvaardigd. Deze nieuwe objectieven hebben veel waar te bieden voor hun geld.

Uiteraard kun je een dergelijk vergelijk ook maken voor andere camera’s, zoals bijvoorbeeld die van Fujifilm. De meetmethode voor het testen van het oplossende vermogen is immers gelijk. Een MTF grafiek voor een APS-C systeem is niet anders dan voor andere camera’s. Wil je weten hoe scherp jouw objectieven zijn? Kijk dan eens naar de MTF grafiek voor het objectief waarvan je graag wilt weten hoe scherp deze is en wat je ervan mag verwachten.

Wanneer je dus de volgende keer een nieuwe ‘lens’ koopt weet je nu waar je op moet letten en kun je op een eerlijke wijze objectieven met elkaar vergelijken, zonder het oordeel en de smaak van een reviewer of blogger er in mee te nemen. Er zullen er velen zijn die je eigenlijk geen eerlijk en ‘objectief’ beeld geven.

Welke lens ‘moet’ ik kopen? (deel 2)

Beeldvullend fotograferen

Deel twee van deze blog gaat over ‘beeldvullend fotograferen in relatie tot het gebruikte objectief. In de vorige blog hebben we al gezien dat we verschillende objectieven gebruiken voor specifieke situaties. Zo hebben we objectieven voor het fotograferen van landschappen, het alledaagse leven om ons heen, portretten en telelenzen om onderwerpen die veraf staan dichterbij te kunnen halen.

Tegelijkertijd kun je net zo goed beeldvullend fotograferen met bijvoorbeeld een 23mm of 35mm objectief als met een teleobjectief. De grootte en de afstand tot een bepaald onderwerp spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol in wat je eventueel beeldvullend kunt fotograferen.

Om bijvoorbeeld een vogel beeldvullend te fotograferen zul je namelijk een stuk dichterbij die vogel moeten komen dan wanneer je bijvoorbeeld een hert zou willen fotograferen. Natuurlijk kun je met een tele-zoomlens inzoomen op het onderwerp, maar toch is dat niet altijd voldoende. Dat komt doordat zo’n vogel op zichzelf al een heel stuk kleiner is dan een hert.

Ondanks het gebruik van een objectief met hetzelfde aantal millimeter bereik zul je toch een verschillende afstand tot het onderwerp moeten aanhouden om een beeldvullende opname te kunnen maken.

Dat gegeven gaat niet alleen op in natuurfotografie, maar geldt evengoed voor het fotograferen van bijvoorbeeld een sportevenement, waarbij de grootte van het speelveld bepalend is voor te overbruggen afstand en daarmee wat je eventueel beeldvullend kunt fotograferen. Een basketbalveld is immers vele malen kleiner dan een voetbalveld.

Tegelijkertijd kun jij als fotograaf niet zomaar het veld oprennen om een foto te maken. Je bent vaak gebonden aan de plek waarvandaan je dan kunt fotograferen. Bij een sportevenement zul je langs het sportveld moeten blijven staan en in de natuur ben je vaak gebonden aan een vogelhut, of de minimale vluchtafstand van een dier voordat het wegrent of wegvliegt. Hoe ver iets ‘ver’ weg staat is dus relatief.

‘Beeldvullend’, is daarmee niet alleen afhankelijk van het te fotograferen onderwerp, maar ook gerelateerd aan de minimale afstand die je soms aan moet houden tot een te fotograferen onderwerp. Het antwoord welke ‘lens’, je nodig hebt om beeldvullend te fotograferen kun je dus nooit zomaar geven. Bovendien is ‘beeldvullend’ ook nog eens afhankelijk van het type sensor dat er in je camera schuil gaat.

Bij een camera met een APS-C sensor heb je bijvoorbeeld een objectief met een flink aantal minder millimeters bereik nodig om ‘beeldvullend’ te kunnen fotograferen, dan bij een camera met een digitale 35mm sensor. Het formaat van de sensor is dus mede bepalend voor het objectief dat we kunnen gebruiken.

Dat gegeven maakt bijvoorbeeld dat camera’s met een APS-C sensor bijzonder populair zijn bij onder andere sport- en natuurfotografen. Zij hoeven daardoor minder geld te investeren in een (duur) teleobjectief met een groot bereik. De ‘crop’ factor van een APS-C sensor stelt hen door de beelduitsnede van een APS-C sensor immers in staat om een onderwerp (ongeveer) 1.5x dichterbij te halen dan in vergelijk met een camera die beschikt over een digitale 35mm sensor, zonder dat zij daarvoor hoeven in te boeten aan lichtopbrenst.

Een objectief met een zelfde aantal millimeters geplaatst op een digitale 35mm camera of op een camera met APS-C sensor, heeft dezelfde fysische eigenschappen. Wat wijzigt is de beeldhoek, waardoor de foto met een APS-C camera ingezoomd lijkt en de beleving verandert.

Een 100-400mm f4.5-5.6, blijft een 100mm-400mm f4.5-5.6 ongeacht de gebruikte sensor in een camera. Het is slechts de beeldhoek die het verschil maakt. De beeldhoek geeft ons bij gebruik van een camera met APS-C sensor alleen het idee alsof er wordt gefotografeerd met een 150-560mm objectief.

Wie fotografeert met een camera met 35mm sensor kan exact hetzelfde beeld verkrijgen (inclusief scherptediepte) door een uitsnede te maken die overeenkomt met de beeldhoek die een camera met APS-C sensor ons levert. Dat gaat daarbij dan uiteraard ten koste van het aantal megapixels, omdat je daarbij pixels weggooit door de foto bij te snijden.

Een camera met crop sensor zoals je Fujifilm camera uit de X-Serie heeft daarmee dus ook zo zijn voordelen.

Welke ‘lens’ voor welke foto?

Eindelijk zijn we aangekomen bij die kernvraag ‘welke lens moet ik kopen’?

De vraag is eigenlijk fout gesteld, want het zou beter zijn, om te vragen wat voor objectief beter past bij een bepaald type fotografie, en zelfs dat blijft een lastige vraag om te beantwoorden.

Aan de hand van het beeldformaat, het sensorformaat en de branpuntsafstand van een objectief kunnen we gelukkig redelijk eenvoudig uitrekenen hoe ver een onderwerp van jou vandaan mag staan om deze beeldvullend in de zoeker en daarmee op de foto te krijgen.

De formule die je daarvoor dan kunt gebruiken luidt als volgt:

(f / s) * w = d

Duidelijk? Nee, vast niet!

Laat ik daarom toelichten waar de verschillende letters voor staan:

f = focal point, ofwel de brandpuntsafstand van het objectief in millimeters.

s = sensor width, ofwel de breedte van de sensor in millimeters.

w = width, ofwel de breedte van het kader bij een beeldverhouding van 3:2 in meters.

d = distance to object, ofwel de afstand tussen de camera tot het te fotograferen onderwerp.

Kortom, er zijn nogal wat parameters die bepalen welk objectief we voor welk onderwerp het beste kunnen gebruiken.

Voorbeeld 1.

Stel je wil fotograferen met een XF90mm objectief in een concertzaal en je wil de zanger en de band achter hem graag beeldvullend in beeld brengen, hoe ver moet ik dan van het podium gaan staan?

(f / s) * (w) = d

(90 / 25) ≈ 3.6 * (3) ≈ 10.8 meter

Het bovenstaande antwoord betreft de afstand voor een liggende foto.

Zouden we een staande foto maken, dan kunnen we dichterbij de zanger gaan staan, want de beeldverhouding verandert dan van 3:2 naar 2:3. Kortom, we kunnen dan op ongeveer 2/3e van de afstand gaan staan en zouden dezelfde opname van de zanger dan kunnen maken op ongeveer 7 meter afstand.

Een infographic waarop je eenvoudig kunt zien welke bereik een objectief heeft om beeldvullend te fotograferen.

Je kunt zo dus ook heel eenvoudig uitrekenen wat het bereik is van een zoomlens zoals bijvoorbeeld de XF50-140mm of de XF100-400mm. Om een persoon beeldvullend in beeld te brengen voor bijvoorbeeld de 50-140mm betekent dat de afstand minimaal 6 meter en maximaal 17 meter moet zijn.

Immers:

(f / s) * (w) = d

(50 / 25) ≈ 2 * (3) ≈ 6 meter (minimale afstand)

En (140 / 25) ≈ 5.6 * 3 ≈ 16.8 meter (maximale afstand)

Voor een objectief als de XF100-400mm geldt dan dat de minimale afstand minstens 12 meter en maximaal 48 meter mag zijn om een persoon beeldvullend te kunnen fotograferen.

(f / s) * (w) = d

(100 / 25) ≈ 4 * (3) ≈ 12 meter (minimale afstand)

En (400 / 25) ≈ 16 * (3) ≈ 48 meter (maximale afstand)

Wordt de afstand tot het onderwerp groter, dan betekent dat dus dat je het beeld moet gaan croppen om een beeldvullende uitsnede te maken.

Uiteraard kun je ook gebruik maken van een teleconverter om zo het bereik te vergroten tot 21 meter respectievelijk 33,5 meter bij gebruik van de XF50-140mm en 67 meter respectievelijk 96 meter bij gebruik van de XF100-400mm in combinatie met de 1.4x of 2.0x converter.

Hou er wel rekening mee dat om bewegingsonscherpte te voorkomen de maximale sluitertijd ongeveer 2 keer de ingestelde brandpuntsafstand mag zijn. Hierbij heb ik even geen rekening gehouden met de beeldstabilisatie waarover deze objectieven beschikken, maar los daarvan betekent het toch al snel dat je de ISO waarde op de camera al snel flink moet verhogen, om aan zulke korte sluitertijden te kunnen voldoen.

Nu is het gebruiken van een hoge ISO waarde tegenwoordig wat minder problematisch dan in het verleden, omdat de beeldsensoren de afgelopen jaren flink beter zijn geworden. Het blijft toch altijd beter om de ISO waarde op de camera zo laag mogelijk te houden om de beste beeldkwaliteit te kunnen verkrijgen.

Samenvatting

Met een Fujifilm camera uit de X-Serie kun je prima sporten, vogels of andere dieren fotograferen. Belangrijk is wel te weten welk objectief je daarvoor dan het beste kunt gebruiken.

Wanneer je nu de volgende keer jezelf de vraag stelt ‘Welke lens moet ik kopen?’, bedenk dan allereerst waarvoor je een bepaald objectief wilt gaan gebruiken, hoeveel geld je er maximaal aan wilt gaan uitgeven en hoeveel concessie je wil doen aan lichtsterkte of beeldkwaliteit. Dat bepaalt welk objectief voor jou geschikt is om te gaan gebruiken.

Tegelijkertijd kun je een teleconverter bij een Fujifilm camera uit de X-Serie enkel en alleen gebruiken op de volgende objectieven: XF80mm f2.8 Macro, XF200mm f2.0, XF50-140mm f2.8 en de XF100-400mm f4.5-5.6. De 1.4x en 2.0x teleconverters kunnen niet worden aangesloten op andere objectieven uit de Fujinon XF of XC lijn.

Een klein dier zoals een vogel of een muisje leg je eenvoudiger vast met een ‘lange’ lens. Dat komt omdat je voldoende afstand moet bewaren tot het onderwerp zodat deze niet vlucht zal slaan.

Aan de hand van de brandpuntsafstand en de gebruikte camera kun je uitrekenen hoe ver weg je ‘moet’ gaan staan om een onderwerp beeldvullend te fotograferen.

De gebruikte rekensom is al gecompenseerd voor een Fujifilm (APS-C) camera en gaat uit van een liggende foto. Dat betekent een beeldhoogte van 2 meter en een beeldbreedte van 3 meter. Is je foto maar 50 centimeter hoog, dan betekent dat dus dat de maximale afstand 4x kleiner wordt (4x50cm = 200cm). Wil je een foto ‘staand’ maken, dan gebruik je dezelfde rekensom, maar vermenigvuldig je de uitkomst met 0.66x.

Om bewegingsonscherpte te voorkomen gebruik je een maximale sluitertijd van 2x de ingestelde brandpuntsafstand. Een snelle sluitertijd verkrijg je door gebruik te maken van een groot diafragma en/of het vergroten van de gevoeligheid van de sensor door de ISO instelling te verhogen.

Met deze handige infographic kun je in één oogopslag zien welk objectief geschikt is voor welke sport.

Welke lens ‘moet’ ik kopen? (deel 1).

De antwoorden op een veelgestelde vraag! (deel 1).

Laatst kreeg ik de volgende vraag gesteld:”Ik heb sinds vorig jaar een camera van Fujifilm in mijn bezit. Ook heb ik daarbij 2 ‘lenzen’ aangeschaft. Nu wil ik graag een extra lens aanschaffen, maar weet niet goed wat voor lens ik nodig heb. Ik wil graag ver kunnen inzoomen (Wildlife / Natuur en Vogels fotograferen) Wat adviseer je mij? Welke kan ik het beste kiezen?

Natuurlijk komen er bij deze vraag veel meer aspecten kijken dan alleen de aanschaf van  het objectief zelf. Lichtsterkte, budget, gewicht en het doel waarvoor je een bepaald objectief wil gaan gebruiken. Ze zijn allemaal bepalend voor het antwoord op de bovenstaande vraag.

Welk type objectief je nodig hebt, hangt af van het doel van de foto of wat je graag wil gaan fotograferen. De brandpuntsafstand is bepalend voor het blikveld en de mogelijkheid hoeveel dichterbij je een bepaald onderwerp toch beeldvullend kunt fotograferen. De lichtsterkte is belangrijk voor de hoeveelheid licht die de sensor kan bereiken en dat komt ten goede aan de sluitertijd en/of scherptediepte. Tegelijkertijd betekent een lichtsterker objectief vaak ook meer gewicht en een hogere prijs.

Dat extra gewicht wordt veroorzaakt doordat een lichtsterk objectief met een groot diafragma méér en vooral groter ‘glas’ nodig heeft dan een objectief dat minder lichtsterk is. De benodigde doorsnede van het voorste lenselement wordt namelijk bepaald door de grootte van het diafragma.

Om die reden ga ik nu eerst in op de relatie tussen de lichtsterkte, de grootte van een objectief en het gewicht. Het tweede gedeelte van deze blog gaat over het bereik van het objectief en welk objectief je nodig hebt om een onderwerp beeldvullend te kunnen fotograferen.

Lichtsterkte in relatie tot formaat, gewicht en prijs

Neem nu bijvoorbeeld een 35mm f1.4 en een 35mm f2.0 objectief. Beide objectieven hebben dezelfde brandpuntsafstand en zullen je dus exact hetzelfde laten zien wanneer je door de zoeker kijkt. Toch zijn beide objectieven niet evengroot en evenzwaar. Dat verschil wordt veroorzaakt door het verschil in lichtsterkte en daarmee de grootte van het diafragma. Kortom; de diameter van het voorste lenselement wordt bepaald door het grootste diafragma waarover een objectief beschikt.

Zo moet een 35mm f1.4 een lensdoorsnede hebben van minimaal 35/1.4 ≥ 25mm en kent een 35mm f2.0 een lensdoorsnede van minimaal 35/2 ≥ 17.5mm.

De Fujinon XF35mm f1.4 naast de XF35mm f2.0. Twee op het oog gelijkende objectieven voor wat betreft beeldhoek, maar verschillend in lichtsterkte.

Dat verschil vertaald zich uiteindelijk ook in grootte en gewicht van een objectief. Het totaal oppervlak is (straal2*Pi), ofwel 490,8mm voor de 35mm f1.4 tegenover een oppervlak van 226,98mm). Naarmate de brandpuntsafstand en de lichtsterkte toeneemt heb je niet alleen meer ‘glas’ nodig, maar neemt ook de grootte en de prijs van een objectief toe. Om die reden zijn lichtsterke telelenzen vaak erg duur, terwijl de minder lichtsterke varianten redelijk betaalbaar blijven.

Neem nu bijvoorbeeld een objectief met een brandpuntbereik van 100mm tot 400mm en een objectief met een vaste brandpuntsafstand van 400mm. De 100-400mm variant heeft daarbij een diafragma van f4.5-5.6. Wat betekent dat op 100mm het grootste beschikbare diafragma f4.5 is, terwijl op 400mm het grootste beschikbare diafragma f5.6 bedraagt. Dat verschil noemen we overigens een diafragmaverloop. De 400mm kent een vaste brandpuntsafstand van f4.0.

Zoals je waarschijnlijk wel zult weten valt dat 400mm objectief in een totaal andere prijsklasse dan de genoemde 100-400mm. Hoe kan dat nu? De reden is gelegen in het verloop van het diafragma en de benodigde hoeveelheid lenselementen. Kortom de benodigde hoeveelheid glas en de lichtsterkte.

Een 400mm f4.0, kent een minimale diameter van 400/4 ≥ 100mm (oppervlak 7854mm2), terwijl de 100-400mm slechts een diameter kent van 400/5.6 ≥ 71,4mm (oppervlak 3959mm2). De genoemde 400mm f4.0 is daarmee dus stukken groter en zwaarder dan het 100-400mm f4.5-5.6 objectief en dat allemaal voor één stop extra lichtopbrengst.

Een Fujinon XF100-400mm f4.5 naast een Canon EF400mm f4. Twee objectieven met hetzelfde bereik, maar door de verschillende lichtsterkte toch totaal andere objectieven.

Of je dat de moeite waard vindt voor één stop extra lichtopbrengst kan ik niet voor jou bepalen, maar het verschil tussen ongeveer €1800,00 voor een 100-400mm f4.5-5.6 en een 400mm f4 die over de toonbank gaat voor een bedrag van ongeveer €6800,00, is natuurlijk wel flink groot. Wil je liever 2 stops verschil in lichtopbrengst, kortom een 400mm f2.8, dan koop je zo’n lens voor het toch wel enigszins astronomische bedrag van €10.800,00.

Je moet dus wel een enorme liefhebber zijn van het fotograferen van vogels, dieren of diverse sporten, wil je een dergelijk bedrag voor een objectief voor jezelf kunnen verantwoorden. Zeker in een tijd waarin het gebruik van hoge ISO waardes, tot ongeveer 6400 ISO zonder noemenswaardige ruis of kwaliteitsverlies mogelijk is. Dat is overigens geen oordeel, maar een feit.

Hoe ver is ver?

De brandpuntsafstand van een objectief is bepalend voor wat je beeldvullend in beeld kunt krijgen, of wat je graag wil gaan fotograferen.

Groothoek

Voor het fotograferen van bijvoorbeeld een landschap, willen we meestal graag zoveel mogelijk van de omgeving laten zien. Voor dat type fotografie gebruiken we in het algemeen gesproken een zogenoemde ‘groothoeklens’. Dat zijn objectieven die gemiddeld genomen een brandpuntsafstand kennen van 8mm (fisheye), tot ongeveer 24mm.

De XF10-24mm f4.0 OIS een zeer populaire groothoek zoomobjectief.

Omdat je bij dat type fotografie vaak zoveel mogelijk van de voor- en achtergrond scherp in beeld wil krijgen is de grootte van het diafragma vaak minder belangrijk. Vaak maken we een dergelijke foto met een diafragma van f9.0, f11.0 of nog kleiner, of fotograferen we een dergelijke scene vanaf statief.

Het verschil of dat het grootste diafragma van een dergelijk objectief dan f4.0 of f2.8 is, doet er dan eigenlijk niet zo heel veel toe. Dat is dan eigenlijk alleen belangrijk voor diegenen die de grenzen van het kunnen van een objectief opzoeken.

‘Normaal’ bereik

Objectieven met een bereik van tussen de 24 en 50mm, noemen we objectieven met een normaal bereik. Dat komt omdat je er de meeste onderwerpen die je graag wilt fotograferen mee kunt vastleggen. Van omgeving tot portret, straatfotografie en de alledaagse dingen zijn de zaken die we vaak met dergelijke objectieven vastleggen.

De XF16-55mm f2.8 een uitstekend professioneel zoomobjectief voor het ‘alledaagse’ werk.

De beeldhoek van dergelijke objectieven komt overeen met hoe wij mensen de wereld om ons heen over het algemeen ‘zien’. In creatieve zin is het geen ‘spannende’ beeldhoek, die je met dergelijke objectieven verkrijgt, maar ze zijn vooral populair omdat ze enorm breed en daardoor veelzijdig inzetbaar zijn.

Portret lens / Kort Tele

Korte telelenzen met een bereik vanaf 55mm tot 135mm noemen we ook heel erg vaak ‘portret lenzen’. Uiteraard zijn er geen specifieke objectieven waarmee je alleen een portret kunt vastleggen. Ze worden zo genoemd omdat je met dergelijke objectieven binnen deze brandpuntsafstanden veelal een mooie onscherpe achtergrond kunt verkrijgen wanneer je gebruik maakt van een groot diafragma en waardoor de geportretteerde mooi ‘los’ wordt gemaakt van de achtergrond.

Gebruik je een objectief van tussen de 50 en 70mm, dan is de mogelijkheid van een zeer groot diafragma, belangrijker dan bij objectieven die een grotere brandpuntsafstand kennen. De reden hiervoor is gelegen in de scherptediepteweergave en een fenomeen dat we ‘compressie’ noemen.

Bij een objectief met korte brandpuntsafstand wordt de weergave van de voor- en achtergrond al heel snel scherp weergegeven. Het is daarbij dan lastig om een onderwerp ‘los’ te kunnen maken van de achtergrond.

De afstand tot het te fotograferen onderwerp en de beeldhoek spelen hierbij dan een belangrijke rol. Is de beeldhoek te groot dan levert dit vaak veel scherpte op, met als gevolg een wat rommelige achtergrond. Is de beeldhoek te klein, dan moeten we de afstand tot het onderwerp vergroten. Wanneer het objectief dan een te klein diafragma als grootst instelbare diafragma kent, ook dan wordt de achtergrond al snel als ‘scherp’ weergegeven en gaat het effect van een scherpe voorgrond en onscherpe achtergrond al snel verloren.

De drie meest gebruikte objectieven voor het fotograferen van portretten. Van links naar rechts: de XF50-140mm f2.8 tele, de XF90mm f2.0 en de zeer lichtsterke XF56mm f1.2.

Door een objectief met een groot instelbaar diafragma te gebruiken kun je het probleem van een (te) scherpe achtergrond goed oplossen. Wanneer je voor jezelf een objectief wil aanschaffen speciaal voor het fotograferen van portretten, dan loont het zeker om te investeren in een objectief met een zo’n groot mogelijk diafragma, voor een mooie separatie tussen voor en achtergrond.

Naarmate de brandpuntsafstand toeneemt neemt het belang van een zeer groot diafragma een minder belangrijke rol in. Zo levert de 56mm f1.2 en de 90mm f2.0 vrijwel exact hetzelfde resultaat. Er is tussen deze twee objectieven nauwelijks verschil waarneembaar tussen achtergrondonscherpte en bokeh, wanneer beide objectieven op hun grootst instelbare diafragma worden gebruikt.

Welke je van deze twee objectieven je het beste kunt kopen is daarom lastig te zeggen. Er valt wat voor te zeggen om de XF56mm te prefereren boven de XF90mm. En belangrijke reden daarvoor is de lichtsterkte. Je kunt immers met minder licht toe, waardoor je ‘langer’ kunt fotograferen bij minder goede lichtomstandigheden. Bovendien is de afstand tussen jou en de geportretteerde van tussen de 3 en 5 meter vaak prettiger in de communicatie.

Tegelijkertijd kent de XF90mm het voordeel dat deze nieuwer is en daardoor in tijd genomen sneller kan scherpstellen en dat je bij zeer heldere lichtomstandigheden het diafragma niet hoeft te gaan ‘knijpen’. Dat wil zeggen, een kleiner diafragma hoeft in te stellen omdat er anders teveel licht op de sensor kan vallen. Het nadeel is de langere lengte van de brandpuntsafstand en daarmee neemt de afstand tussen jou als fotograaf en de geportretteerde toe. Bovendien betekent een ‘langere lens’, een snellere sluitertijd om bewegingsonscherpte te voorkomen.

Tussen deze beide objectieven kan ik geen ‘winnaar’, kiezen. Het voordel van de een is het nadeel van de ander en omgekeerd. Het komt daarbij tussen deze twee objectieven dus met name neer op een persoonlijke voorkeur.

Telelenzen

Telelenzen gebruiken we vooral om onderwerpen op grotere afstand te kunnen fotograferen. De meest gebruikte afstanden voor een tele objectief loopt over het algemeen van zo’n 100mm tot 600mm of groter. In dat geval spreken we van supertele.

Deze objectieven zijn vooral populair voor het fotograferen van sporten of dieren in de natuur. Meestal kun je dergelijke objectieven nog ‘verlengen’ door gebruik te maken van een teleconverter. Met een dergelijke teleconverter vergroot je de brandpuntsafstand en daarmee kun je onderwerpen nog dichterbij halen. Vaak zien we dergelijke teleconverters vaak in de vorm van een 1.4x en 2.0x variant.

Dat betekent dat een objectief van 50-140mm f2.8 wordt verlengt naar een 70-196mm objectief, of bij gebruik van een 2.0x converter naar 100-280mm) en een 100-400mm wordt verlengt in bereik naar 140-560mm, respectievelijk 200-800mm.

De (semi)professionele XF100-400mm supertele naast de eenvoudigere en meer budget geprijsde XC55-200mm.

Het mooie daarbij is dus dat je met een dergelijke teleconverter onderwerpen aanzienlijk dichterbij kunt halen. Maar zoals Cruyff destijds al zei ‘Ieder voordeel heb zijn nadeel’. Want, ondanks dat het bereik van een objectief wordt vergroot, neemt ook de lichtsterkte af en wel met 1 respectievelijk 2 stops.

Een 50-140mm f2.8 wordt daarmee bij gebruik van een 1.4x converter een objectief met een maximale lichtopbrenst van f4.0 en bij gebruik van een 2.0x converter zelfs een objectief met een maximale lichtopbrengst van f5.6.

De 100-400mm f4.5-5.6 kent bij gebruik van een 1.4x converter een maximale lichtopbrenst van f8.0 en wordt bij gebruik van een 2.0x converter een objectief met als grootste diafragma f11.0.

Kortom; De lichtopbrengst neemt bij gebruik van een teleconverter aanzienlijk af en daarmee wordt je niet alleen beperkt in de mogelijkheid om te kiezen voor snelle sluitertijden, maar wordt je ook beperkt in de snelheid waarmee het autofocussysteem werkt. Bovendien neemt een dergelijke converter ook nog een heel klein beetje van de maximale scherpte weg. Zo’n teleconverter is dus niet alleen een voordeel, maar kent ook een aantal nadelen.

Hiermee sluit ik het eerste gedeelte van deze blog af. Maar niet getreurd in deel twee van deze blog ga ik het hebben over beeldvullend fotograferen.

Ik leg je daarin uit wat dat betekent en dat beeldvullend fotograferen niet automatisch hetzelfde is als het gebruiken van een tele-objectief. Kortom in deel twee leg ik je uit welk objectief je kunt gebruiken voor welke situatie en dat dichtbij of veraf relatief is ten opzichte van het te fotograferen object…..