Wanneer noemen we het beestje nu eens bij zijn naam?
Vanochtend lag de tafel weer vol met kranten. Volkskrant, Trouw en ja, zelfs de Telegraaf vanwege hun financiële katern. Terloops pakte ik nog even mijn telefoon erbij om de NOS te checken.
“Betogers.”
Ik verslikte mij bijna in mijn koffie.
Niet vanwege het geweld overigens. Daar ben ik ondertussen al aan gewend geraakt. Vooral vanwege het woord.
Want ergens tussen open vuur, brandstichting, vuurwerk en het tegenhouden van de brandweer blijkt in Nederland nog steeds een punt te bestaan waarop redacties denken: ja, dit valt journalistiek gezien nog prima binnen de categorie demonstratie.
Blijkbaar vallen open vuur en het gebruik van geweld inmiddels ook binnen het demonstratierecht.
Het is ergens ook bewonderenswaardig.
De flexibiliteit van het woord “Demonstranten” blijkt anno 2026 een opmerkelijk veelzijdige parapluterm geworden.
Ooit dacht je bij demonstranten aan mensen met kartonnen borden, fluitjes en iemand die iets roept over klimaat of pensioenen. Tegenwoordig hoort daar blijkbaar ook gewoon een fakkel bij. Of een brandende heg vlak naast een opvangcentrum. De Nederlandse taal blijft zich ontwikkelen.

Tussen demonstratie en intimidatie blijkt soms opvallend veel ruimte te zitten.
Ergens vind ik dat ook wel geruststellend.
Want stel je voor dat dezelfde situatie zich had afgespeeld rond een ministerie. Of een partijbureau. Of een synagoge... Dan hadden we inmiddels waarschijnlijk analyses gelezen over radicalisering, anti-institutioneel geweld en zorgen over democratische ontwrichting. Er was dan gegarandeerd iemand op televisie verschenen die ernstig had gekeken terwijl onderin het scherm woorden als “extremistische tendensen” voorbij schoven.
Nu blijft het opvallend lang bij “onrust”.
Een woord dat normaal gesproken vooral wordt gebruikt wanneer Gerard tijdens Koningsdag iets te enthousiast aan een dranghek trekt na acht halve liters bier te hebben genuttigd.
Maar dit was geen omgevallen dranghek meer. Dit is ook geen verdwaalde scooter in brand. Of... een spontane chaos na een voetbalwedstrijd. Hier worden doelbewust branden gesticht bij een opvanglocatie terwijl er al mensen opgevangen worden. De brandweer werd tegengehouden. En tóch bleef ergens het frame hangen bij de media van burgers die hun zorgen kenbaar maakten.
Dat klinkt namelijk meteen een stuk vriendelijker.
Bijna alsof iemand met een fakkel in de hand, een hoodie en donkere kleding, het licht van vuur nodig heeft om het pad dat hij bewandelt te verlichten.
Het gezelligste vocabulaire van Europa
Het fascinerende aan moderne framing is overigens dat woorden tegenwoordig vooral lijken te draaien om wie er precies boos is.
Een groep klimaatactivisten met havermelk, linnen tasjes en biologisch afbreekbare secondelijm wordt al vrij snel omschreven als ontwrichtend, radicaal of “terroristisch van aard”.
Al moet ik toegeven dat vooral dat laatste een indrukwekkende prestatie blijft. Je moet als samenleving namelijk een behoorlijk creatief brein hebben om iemand die zichzelf vrijwillig aan de A12 vastplakt te zien als een existentiële bedreiging voor de democratische rechtsorde.

Tussen demonstratie en intimidatie blijkt soms opvallend veel ruimte te zitten.
Iemand die vuurwerk richting een opvanglocatie gooit terwijl de brandweer wordt tegengehouden krijgt daarentegen nog verrassend lang het voordeel van de twijfel. Dat blijft ergens toch bijzonder.
Blijkbaar vormt de combinatie van havermelk, linnen tasjes en burgerlijke ongehoorzaamheid een grotere bedreiging voor de samenleving dan iemand met zwarte hoodie, een fakkel en open vuur voor een opvanglocatie staat.
En ik snap het ergens ook wel. Een snelwegplakker is irritant. Echt enorm irritant zelfs. Je staat in de file. Mensen komen te laat. Er ontstaat boosheid. Nederland houdt niet van oponthoud. Wij zijn een volk dat collectief agressief wordt zodra de zelfscan één product dubbel scant. Dus iemand die verkeer vertraagt voelt hier al snel als een directe aanval op de beschaving zelf.
Maar irritatie is iets anders dan angst.
Dat verschil lijken we langzaam kwijt te raken.
Het moment waarop woorden beginnen te wringen
De meeste mensen weten instinctief dondersgoed waar ze werkelijk banger van worden.
Niet van een activist met een regenjas en een kartonnen bord. Niet van iemand die “de aarde redt” terwijl hij quinoa uit een biologisch afbreekbaar bakje eet.
Hooguit van het gesprek dat volgt wanneer hij naast je in de trein komt zitten.
Nee, mensen worden bang van groepen die doelbewust intimideren. Van vuur. Van agressie. Van het gevoel dat geweld langzaam een legitiem politiek middel begint te worden. En vooral van het idee dat instituties en de media daar vervolgens taal voor gebruiken die opvallend veel lijkt op een buurthuisfolder.
“Onrust.” “Escalatie.” “Demonstranten.” Je verwacht bijna ieder moment een buurtbarbecue om de verbinding te herstellen.
En precies daar begint het te knagen. Niet alleen op straat, maar ook in taal. Want woorden bepalen niet alleen hoe we gebeurtenissen beschrijven. Ze bepalen ook wanneer iets nog voelt als protest en wanneer het langzaam begint te ruiken naar intimidatie.
Dat laatste woord vermijden we liever een beetje in Nederland.
Intimidatie klinkt namelijk meteen zo ongezellig. Alsof mensen niet gewoon hun zorgen delen, maar daadwerkelijk proberen anderen angst aan te jagen zodat democratische besluiten onder druk komen te staan. En voor je het weet moet je daar moeilijke vragen over gaan stellen.
Dat is natuurlijk vervelend tijdens het achtuurjournaal.

Woorden beschrijven niet alleen de werkelijkheid. Ze verzachten haar soms ook.
De fakkel en de flip-over
We blijven dus liever nog even hangen in vriendelijkere woorden.
“Bezorgde inwoners” bijvoorbeeld. Ook zo’n prachtige formulering. Alsof iemand tussen het gooien van vuurwerk en het blokkeren van de brandweer door vooral worstelt met een ingewikkeld participatietraject van de gemeente.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik die taal ergens bewonder. Echt waar. Er zit een indrukwekkend optimisme achter. Een bijna ontroerend geloof in het idee dat alles uiteindelijk nog steeds valt op te lossen met een informatieavond, een inspraakmicrofoon en een externe procesbegeleider genaamd Saskia.
Ondertussen staan er buiten mensen met fakkels.
En dat contrast begint steeds vreemder te voelen.
Vooral omdat veiligheidsdiensten allang woorden gebruiken die aanzienlijk minder gezellig klinken. Daar vallen inmiddels termen als radicalisering, anti-institutioneel extremisme en georganiseerde intimidatie. Men weet welke groepen actief zijn. Men kent de online netwerken. Men ziet hoe acties elkaar versterken en hoe geweld langzaam normaliseert binnen bepaalde kringen.
Maar in grote delen van het publieke debat blijft het opvallend lang klinken alsof we kijken naar een iets uit de hand gelopen buurtbijeenkomst over parkeerbeleid.
Misschien omdat de werkelijkheid toch iets ongemakkelijker is dan de woorden die we ervoor hebben gekozen?

Nederland blijft geloven dat bijna alles oplosbaar is met een inspraakavond en voldoende koffie.
Wanneer noemen we het beestje bij zijn naam?
misschien is dat uiteindelijk wel het vreemdste onderdeel van dit hele verhaal.
Niet eens het geweld zelf. Geweld is helaas van alle tijden. Mensen blijken al eeuwen verrassend creatief zodra ze boos worden. Geef een mens een ideologie, een groep gelijkgestemden en een Telegramkanaal en vroeg of laat staat ergens een winkelwagentje in brand.
Nee, het echt fascinerende zit hem in de collectieve taalacrobatiek eromheen.
In hoe ver we inmiddels bereid lijken om woorden op te rekken zolang we daarmee maar voorkomen dat we hardop hoeven uit te spreken wat iedereen eigenlijk al ziet gebeuren. Dat dit allang niet meer alleen over geweld gaat, maar richting terrorisme schuift.
Want zodra je toegeeft dat georganiseerd geweld rond opvanglocaties misschien iets meer is dan “onrust”, moet je ook erkennen dat delen van Nederland sneller radicaliseren dan jarenlang prettig werd aangenomen. Dan wordt het ineens moeilijker om te blijven doen alsof dit uitsluitend spontane boosheid is van mensen die zich “niet gehoord voelen”.
Dat is namelijk het andere wonderlijke zinnetje dat altijd opduikt.
“Niet gehoord voelen.”
Alsof iemand die een fakkel richting een opvanglocatie draagt eigenlijk vooral behoefte heeft aan een extra participatiesessie met post-its en koffiekoeken.
Ergens hoop ik oprecht dat dit de oplossing blijkt. Dat er binnenkort een communicatiestrateeg opstaat die rustig uitlegt dat het echte probleem niet de brandstichting was, maar een tekort aan dialoogtafels in zaalopstelling. (En ja, ik behoor beroepsmatig ook tot deze sector; zelfspot is soms best grappig.)
Het zou perfect passen binnen de Nederlandse bestuurscultuur.
Eerst de brand blussen. Daarna een klankbordgroep formeren.







